Beleidsnota Financiën: nieuwe fiscale maatregelen voor 2019

De minister van Financiën, Johan Van Overtveldt, heeft op 29 oktober 2018 zijn beleidsnota ‘Financiën’ (2018-2019) ingediend in de Kamer. Wij tekenden er enkele belangrijke fiscale initiatieven uit op.

Taxshift

In 2019 zal de laatste fase van de tax shift worden uitgerold in de personenbelasting.

De fiscale maatregelen voor 2019 in het kader van de tax shift zijn de volgende:
  • het verder optrekken van de fiscale werkbonus van 28,03% tot 33,14% van de effectief toegekende sociale werkbonus;
  • de verbreding van het tarief van 40% waarbij de bovengrens wordt opgetrokken van 13.940 EUR tot 14.330 EUR (niet-geïndexeerd);
  • het optrekken en uniformiseren van het duale belastingvrije minimum tot 4.785 EUR (niet-geïndexeerd).
Ook binnen de sociale zekerheid worden de sociale werkgeversbijdragen verder afgebouwd, de sociale maribel versterkt en verbreedt, en de sociale werkbonus opgetrokken. Daar zal de laatste fase uitgerold worden in 2020.

Eenheidsstatuut

In het kader van de invoering van het eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden is er een fiscale gunstmaatregel voorzien doordat deze gelijkschakeling in sommige gevallen een stijging van de ontslagkosten zou betekenen voor bepaalde werknemers.

Die maatregel houdt in dat er toegelaten wordt in een belastbaar tijdperk om een bedrag van 3 weken bezoldiging van een werknemer vrij te stellen van de winsten en baten en dit per werknemer vanaf het zesde begonnen dienstjaar na 1 januari 2014. Vanaf het 21ste begonnen dienstjaar kan per werknemer per belastbaar tijdperk 1 week bezoldiging vrijgesteld worden.

De in aanmerking te nemen maandbezoldiging wordt voor de berekening van de vrijstelling geplafonneerd, zodat binnen de reeds bij KB expliciet voorziene enveloppe van 250 000 000 EUR wordt gebleven.

Er wordt nu voorzien dat de vrijstelling voor sociaal passief ingevolge het eenheidsstatuut, waarvan gebruik kan worden gemaakt voor werknemers die bij de desbetreffende belastingplichtige ten minste vijf dienstjaren hebben verworven na 1 januari 2014, gespreid wordt over vijf belastbare tijdperken.

Bezoldigingen ontvangen van een buitenlandse vennootschap verbonden met de werkgever

Een buitenlandse moedervennootschap kan aandelenopties of andere voordelen van alle aard toekennen aan werknemers van haar Belgische dochtervennootschap.

Op basis van de bestaande wetgeving moet er voor een dergelijke toekenning geen bedrijfsvoorheffing worden ingehouden. Wanneer er geen BV wordt ingehouden en ook de verplichting om bepaalde inlichtingen te verstrekken niet wordt gerespecteerd, ontsnapt dit type van toekenning via een verbonden buitenlandse vennootschap aan de belastingheffing.

Om misbruiken te bestrijden wordt een fictie gecreëerd die de werkgever van de begunstigde van een dergelijke verrichting ertoe verplicht om niet alleen BV in te houden, maar ook de ficheverplichting te vervullen.

Jobsdeal

Om meer mensen te kunnen begeleiden naar werk wordt onder meer een maatregel onderzocht waarbij een fiscale vrijstelling wordt verleend voor een premie die toegekend wordt door de gewesten na de succesvolle afronding van een opleiding die toegang geeft tot een knelpuntberoep en die gepaard gaat met een terugkeer naar de effectieve tewerkstelling.

Bovendien zullen de bedragen worden verhoogd om een gepensioneerde of een arbeidsongeschikte in staat te stellen te werken en zijn inkomen te verhogen en tegelijkertijd belastingverlagingen te genieten.

Voor de binnenscheepvaart wordt onderzocht of zij kunnen gebruik maken van de bestaande vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid.

En ten slotte wordt onderzocht of de gunstregeling voor overuren verder kan worden versoepeld.

Mobiliteitsbudget en -vergoeding

De mobiliteitsvergoeding (ingevoerd door de wet van 30 maart 2018) geeft een werknemer die beschikt over een bedrijfswagen, de mogelijkheid om deze in te ruilen voor een geldbedrag (cash for car) dat fiscaal en sociaal gelijkaardig behandeld wordt als een bedrijfswagen. De werknemer kan dat geldbedrag dan besteden aan andere vervoersmodi om zich te verplaatsen.

Er zal een tweede alternatief geboden worden voor de bedrijfswagen in de vorm van een mobiliteitsbudget. Dat houdt in dat de werknemer een bepaald budget ter beschikking krijgt om aan zijn mobiliteitsbehoeften te voldoen, waarbij hij de keuze heeft om dat budget te spenderen in drie pijlers:
  • de eerste pijler is deze van de milieuvriendelijke wagen;
  • de tweede pijler bevat een heel aantal alternatieve en duurzame vervoersmodi zoals het openbaar vervoer, de fiets, de deelauto’s en -fietsen enz.;
  • de derde pijler is het niet opgebruikte gedeelte van het mobiliteitsbudget dat in cash uitbetaald wordt.
De werknemer kiest zelf welke pijlers hij wenst te gebruiken en welke niet. Hij kan zijn mobiliteitsbudget m.a.w. volledig besteden in één bepaalde pijler maar hij kan evenzeer een combinatie maken van twee of drie pijlers.

Om de alternatieve vervoersmodi (pijler 2) zoveel mogelijk aan te moedigen, zal het deel van het mobiliteitsbudget dat daaraan wordt besteed volledig aftrekbaar zijn bij de werkgever en vrijgesteld zijn van belasting bij de werknemer. Om dezelfde reden, nl. het aanmoedigen van de werknemer om zijn mobiliteitsbudget te gebruiken in pijler 2, wordt het bedrag dat in contanten wordt uitbetaald (pijler 3) onderworpen worden aan een specifieke sociale bijdrage van 38,07%.

De milieuvriendelijke bedrijfswagen van pijler 1 ondergaat de gewone fiscale en sociale behandeling van een bedrijfswagen.

Zowel de mobiliteitsvergoeding als het mobiliteitsbudget zal mogelijk zijn voor werknemers die over een bedrijfswagen beschikken alsook voor deze die er volgens het bedrijfswagenbeleid van de werkgever recht op hebben.

Voordeel van alle aard gratis ter beschikking gestelde onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen

Een bedrijfsleider of een werknemer die een gratis woonst ter beschikking krijgt van zijn vennootschap of zijn werkgever, wordt daarvoor privé belast op een belastbaar voordeel dat forfaitair wordt bepaald op basis van het kadastraal inkomen (KI). Deze forfaitaire waardering verschilt echter naargelang de woonst ter beschikking wordt gesteld door een vennootschap dan wel door een werkgever-natuurlijk persoon.

Wordt de woonst ter beschikking gesteld door een vennootschap, dan is het belastbaar voordeel gelijk aan KI x index x 100/60 x 3,8. Is het KI in zo’n geval kleiner dan 745 euro, dan wordt de factor 3,8 verlaagd tot 1,25.
Wordt de woning ter beschikking gesteld door een werkgever-natuurlijk persoon, dan is het belastbaar voordeel, in alle gevallen, gelijk aan KI x index x 100/60.

In de rechtspraak werd nu geoordeeld dat het verschil in de berekening van dat belastbaar voordeel niet gerechtvaardigd is en in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Volgens diezelfde rechtspraak zegt ook dat in afwachting van een aanpassing, het belastbaar voordeel gratis woonst in alle gevallen moet berekend worden volgens de voordeligste methode, nl. KI x index x 100/60.

Om deze redenen zal het belastbaar voordeel worden gewijzigd zodat het in alle gevallen gelijk is aan KI x index x 100/60 x 2, en dat er ook geen onderscheid meer wordt gemaakt naargelang het KI hoger of lager is dan 745 EUR.

E-commerce

De Regering heeft beslist om te voorzien in een fiscale stimulus voor bedrijven die personeel tewerkstellen in logistieke en ondersteunende diensten verbonden aan de elektronische handel van roerende goederen.

Die wordt geënt op de bestaande vrijstelling van doorstorting van BV voor nachtarbeid, waarbij specifiek voor activiteiten in de e-commerce de regeling voor de uren waarbinnen deze nachtarbeid dient gepresteerd te worden zal versoepeld worden.

Vrijwillige brandweerlieden en vrijwillige ambulanciers

Momenteel hebben vrijwilligers van de openbare brandweerkorpsen recht op een vrijgestelde vergoeding van maximum 4.460 euro (aj. 2018). Om ook aanspraak te kunnen maken op dezelfde vrijstelling moet een vrijwillige hulpverlener-ambulancier van de Dienst 100 brandweerman zijn. Andere ‘vrijwillige’ hulpverlener-ambulanciers die geen brandweerman zijn, verkrijgen deze vrijstelling in principe niet.

Dit is onbillijk aangezien zij, voor zover ze onder de dringende geneeskundige hulpverlening vallen, geen dienst vervullen die fundamenteel verschilt van de vrijwillige ambulanciersbrandweermannen. Daarom zal deze maatregel uitgebreid worden tot alle vrijwillige ambulanciers voor prestaties van dringende geneeskundige hulpverlening.

Tweede pijler en de 80%-regel

De zgn. 80% regel bepaalt de mate waarin de premies die worden betaald voor de opbouw van een extra aanvullend pensioen voor werknemers en bedrijfsleiders, fiscaal aftrekbaar zijn. Uitgangspunt daarbij is de laatste normale bruto jaarbezoldiging die dan wordt geëxtrapoleerd over de volledige loopbaan, zij het met een aantal correcties en beperkingen waaronder onder meer het wettelijk pensioen dat iemand reeds heeft opgebouwd.

Een aantal wijzigingen in de berekening van die 80% dringen zich evenwel op, enerzijds om een aantal uitlopers tegen te gaan en anderzijds om de berekening te moderniseren door een aantal parameters uit die berekening aan te passen. Zo wordt het wettelijk pensioen (dat één van die parameters is) nog bepaald aan de hand van het laatste jaarloon, terwijl nu een veel accuratere berekening mogelijk is via mypension.be.
Om diezelfde reden moet ook rekening gehouden worden met de databank van de aanvullende pensioenen (Sigedis) die nu operationeel is en die een correct beeld geeft van het extralegaal pensioen dat iemand tijdens zijn loopbaan reeds heeft opgebouwd.

Om ook zelfstandigen die niet werken via een vennootschap, de gelegenheid te geven een aanvullend pensioen op te bouwen op een fiscaal gunstige manier, werd al beslist om ook voor deze groep een tweede pijler mogelijk te maken, de zgn. POZ of pensioenovereenkomst zelfstandigen. Bovenop het reeds bestaande VAPZ of vrij aanvullend pensioen zelfstandigen, zal een zelfstandige bijkomende premies kunnen storten voor een aanvullend pensioen. Fiscaal geeft dit hem recht op een belastingvermindering van 30% en op het einde van de rit, bij de uitkering, is een belastingtarief van 10% van toepassing.

Ook hier zal de grootte van de premie getoetst worden aan de 80%-grens, met dat verschil dat niet de laatste bruto jaarbezoldiging als referentie wordt genomen, want een zelfstandige heeft fiscaal gezien geen bezoldiging, maar wel het gemiddelde van de winst van de laatste drie jaar.

Tenslotte zal ook voor werknemers die geen aanvullende pensioenopbouw genieten via hun werkgever of via een CAO, de mogelijkheid gecreëerd worden om zelf te voorzien in zo’n extra legaal pensioen. Werknemers zullen het recht krijgen aan hun werkgever te vragen om een deel van hun nettoloon in te houden en te storten bij een pensioenverzekeraar. De premie zal de werknemer recht geven op een belastingvermindering van 30%, en ook hier zal het eindkapitaal belast worden tegen 10%. En ook hier zal de belastingvermindering enkel verleend worden in de mate dat aan de 80%-regel is voldaan.
 
Bron:

Gepubliceerd op 30-11-2018

  89