Activeringsbijdrage ontmoedigt vrijstelling van prestaties met loonbehoud (art. 66-67 PW)

Op 1 januari 2018 werd een ‘activeringsbijdrage’ ingevoerd. Bedoeling is om de participatie van oudere werknemers op de arbeidsmarkt te verhogen. Want steeds meer werkgevers stellen hun oudere werknemers vrij van arbeidsprestaties met behoud van loon, zonder gebruik te maken van een stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT).
Het bijdragepercentage wordt bepaald in functie van de leeftijd van de werknemer op het ogenblik van de vrijstelling van prestaties. Het schommelt tussen 10% en 20% van het brutokwartaalloon (met een minimumbedrag) en het blijft in principe constant tot de wettelijke pensioenleeftijd (of vervroegd rustpensioen). Maar de wetgever voorziet wel in een paar uitzonderingen. De activeringsbijdrage is sowieso verschuldigd bovenop de gewone socialezekerheidsbijdragen.

Geen enkele prestatie

De regeling wordt ingeschreven in de algemene beginselenwet van 29 juni 1981.
Concreet. Werkgevers die onder de CAO-wet (hoofdzakelijk privésector) vallen en bepaalde autonome overheidsbedrijven zijn voortaan een bijzondere activeringsbijdrage verschuldigd voor hun werknemers die geen enkele prestatie leveren tijdens een volledig kwartaal bij dezelfde werkgever. Met uitzondering van de wettelijke volledige schorsingen van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, en in het geval van vrijstelling van prestaties tijdens de periode van opzegging.
Bovendien is de bijdrage ook niet verschuldigd voor werknemers die:
  • in een mechanisme van volledige vrijstelling van prestaties gestapt zijn vóór 28 september 2017;
  • in een mechanisme van volledige vrijstelling van prestaties stappen in toepassing van een cao van bepaalde duur die afgesloten en neergelegd is vóór 28 september 2017, of in het geval van de overheidsbedrijven in toepassing van een regeling afgesloten in het paritair comité (in de zin van de wet van 21 maart 1991) vóór 28 september 2017.

Bijdrage

Het percentage van de toepasselijke bijdrage wordt bepaald in functie van de leeftijd van de werknemer op het ogenblik waarop zijn werkgever hem van elke prestatie vrijstelt, en deze wordt als volgt berekend:
  • voor de werknemers die van prestaties vrijgesteld zijn vooraleer de leeftijd van 55 jaar te hebben bereikt, bedraagt de bijdrage 20% van het brutokwartaalloon, met een minimum van 300 euro;
  • voor de werknemers die van prestaties vrijgesteld zijn na de leeftijd van 55 jaar en vooraleer de leeftijd van 58 jaar te hebben bereikt, bedraagt de bijdrage 18% van het brutokwartaalloon, met een minimum van 300 euro;
  • voor de werknemers die van prestaties vrijgesteld zijn na de leeftijd van 58 jaar en vooraleer de leeftijd van 60 jaar te hebben bereikt, bedraagt de bijdrage 16% van het brutokwartaalloon, met een minimum van 300 euro;
  • voor de werknemers die van prestaties vrijgesteld zijn na de leeftijd van 60 jaar en vooraleer de leeftijd van 62 jaar te hebben bereikt, bedraagt de bijdrage 15% van het brutokwartaalloon, met een minimum van 225,60 euro;
  • voor de werknemers die van prestaties vrijgesteld zijn na de leeftijd van 62 jaar, bedraagt de bijdrage 10% van het brutokwartaalloon, met een minimum van 225,60 euro.
Leeftijd
Bijdragepercentage
Minimumbijdrage per kwartaal
Vóór 55 jaar
20%
300 euro
Na 55 jaar en vóór 58 jaar
18%
300 euro
Na 58 jaar en vóór 60 jaar
16%
300 euro
Na 60 jaar en vóór 62 jaar
15%
225,60 euro
Na 62 jaar
10%
225,60 euro

Afwijking

De wetgever voorziet tot slot in een paar afwijkende gevallen:
  • Het bijdragepercentage wordt verminderd met 40% indien de werknemer gedurende de periode van vrijstelling van prestaties verplicht was een door zijn werkgever georganiseerde opleiding te volgen die tenminste 15 dagen omvat in een periode van 4 opeenvolgende kwartalen. De vermindering van het bijdragepercentage geldt tijdens dezelfde 4 kwartalen.
  • De werkgever wordt vrijgesteld van de bijdrage indien de werknemer gedurende de eerste 4 kwartalen van vrijstelling van prestaties verplicht een door zijn werkgever georganiseerde opleiding heeft gevolgd, waarvan de kostprijs tenminste 20% bedraagt van het brutojaarloon waarop de werknemer voor de vrijstelling van prestaties recht had.
  • De voornoemde bijdrage is niet verschuldigd wanneer de werknemer die volledig van prestaties werd vrijgesteld gedurende het volledige kwartaal een nieuwe tewerkstelling aanvat, hetzij bij een of meerdere andere werkgever(s), hetzij in de hoedanigheid van zelfstandige. Die nieuwe tewerkstelling moet minstens gelijk zijn aan een derde van een voltijdse tewerkstelling.

In werking

Deze nieuwe regeling is in werking getreden op 1 januari 2018
Source:

Programmawet van 25 december 2017, BS 29 december 2017 (art. 66-67 PW)

Gepubliceerd op 01-03-2018