Eenheidsstatuut arbeiders-bedienden

EenheidsstatuutHet Grondwettelijk Hof sprak zich op 25 juni 2015 voor de eerste keer uit over de grondwettelijkheid van de Wet betreffende de invoering van een eenheidsstatuut. Deze wet trachtte een einde te maken aan de ongelijke behandeling tussen arbeiders en bedienden wat betreft de grootte van hun opzeggingstermijnen en vergoedingen.

Dit arrest verscheen op 12 november 2015 in het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW) (afl. 330) samen met een korte bespreking van Pieter Pecinovsky. Hierna volgt het kopje bij dit arrest van het Grondwettelijk Hof van 25 juni 2015.

Eenheidsstatuut – arbeidsbemiddeling – outplacement – ontslagpakket – bevoegdheidsconflict – federale loyauteit – standstill-verplichting – gelijkheidsbeginsel – onteigening

De Nationale Confederatie van het Kaderpersoneel vorderde samen met enkele particuliere verzoekers en de Waalse regering (bij memorie van tussenkomst) de vernietiging van de artikelen 81, 88 en 92 van de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden (hierna WES). Artikel 92 WES betreft de verplichting voor de paritaire (sub)comités om vóór 1 januari 2019 een CAO te sluiten die bepaalt dat een werknemer, in geval van een ontslag met een opzegtermijn van meer dan 30 weken (of een gelijkaardige opzegvergoeding), recht heeft op een ontslagpakket van 2/3e opzegtermijn of opzegvergoeding en 1/3e maatregelen die de inzetbaarheid van de werknemer op de arbeidsmarkt verhogen (outplacementbegeleiding). De opzegtermijn of opzegvergoeding mag echter nooit minder bedragen dan 26 weken. Artikelen 81 en 82 WES bepalen verder waaruit dat ontslagpakket en de outplacementbegeleiding specifiek bestaan.
In de eerste plaats beweren de verzoekende partijen en het Waalse Gewest dat de gecontesteerde artikelen een bevoegdheidsschending uitmaken gezien arbeidsbemiddeling, waartoe ook de outplacementbegeleiding behoort, onder de bevoegdheid van de gewesten valt. Het Hof komt na een uitgebreid onderzoek van de relevante regelgeving en rechtspraak tot de conclusie dat de wetgever niet de arbeidsrechtelijke aspecten van arbeidsbemiddeling en outplacementbegeleiding heeft willen delegeren aan de gewesten. Het gaat hier met name louter over ‘het recht’ op outplacementbegeleiding, wat onder de federale bevoegdheid voor het arbeidsrecht blijft vallen.

Ten tweede beweren de verzoekende partijen dat artikel 92 WES het eigendomsrecht (art. 16 Gw. en eerste aanvullend protocol EVRM) schenden. Het Hof meent echter dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de hoegrootheid van het ontslagpakket. Er wordt enkel gesleuteld aan de verhouding. Naast de opzeggingstermijn en opzeggingsvergoeding wordt een outplacementbegeleiding ingevoerd voor minstens 1/3 van de totale hoegrootheid. Deze verdeling valt binnen de grote appreciatiemarge van de wetgever in het sociale beleid. Er is dus geen sprake van onteigening. Daarnaast beweren de verzoekende partijen hetzelfde over artikels 81 en 82 WES, maar laten zij na aan te tonen op welke manier deze het eigendomsrecht zouden schenden, met onontvankelijkheid van het verzoek tot gevolg.

Ten derde zijn de verzoekende partijen van mening dat artikel 92 WES het gelijkheidsbeginsel (art. 11 en 12 Gw.) schendt gezien die verplichte outplacementbegeleiding enkel geldt voor werknemers die recht hebben op een grotere opzegtermijn of opzegvergoeding dan 30 weken. Het Hof wijst erop dat het één van de doelstelling van de WES is om ontslagen werknemers voortaan niet meer louter financieel te vergoeden voor het verlies van hun werk, maar ook een doorgedreven begeleiding van de werknemer naar een nieuwe tewerkstelling te bieden. Gezien de grote beoordelingsmarge van de wetgever, oordeelt het Hof dat het criterium van onderscheid niet zonder redelijke verantwoording is omdat de outplacementbegeleiding bedoeld is voor werknemers met een zekere anciënniteit. Zij hebben een grotere baat bij die begeleiding omdat het verlies van de algemene competenties ten voordele van functie-specifieke kennis toeneemt naarmate de anciënniteit groter is. Daarnaast vinden de verzoekende partijen dat artikel 92 WES de werknemers die opzegvergoeding bij hun ontslag krijgen discrimineert, omdat zij zelf tegemoet moeten komen in de financiering van de outplacementbegeleiding (gezien hun vergoeding hierdoor daalt), terwijl de werknemers die een opzegtermijn krijgen hiertoe niet bijdragen. Ook dit verschil in behandeling is pertinent en redelijk verantwoord volgens het Hof. Ontslagen werknemers met een opzeggingstermijn ontvangen geen opzeggingsvergoeding, waardoor er ook geen aanrekening op die vergoeding kan gebeuren. Voor die werknemers is er een aanrekening op het aantal dagen sollicitatieverlof. Een aanrekening op het loon, terwijl hier nog arbeidsprestaties tegenover staan, zou immers een onevenredige last voor die werknemers betekenen.

Vervolgens menen de verzoekende partijen dat de aangevochten regeling de standstill-verplichting van artikel 23 Gw. schendt. Het Hof stelt echter dat de regeling het bestaande beschermingsniveau niet aantast. Ten slotte verwerpt het Hof ook de aantijgingen van het Waalse Gewest dat de regeling het principe van de federale loyauteit (art. 143 § 1 Gw.) zou schenden omdat ze een belangrijke budgettaire impact heeft om de financiën van de gewesten die instaan voor de terugbetaling van outplacementkosten en omdat er geen overleg zou zijn gepleegd tussen de federale en gewestelijke overheid. Het ging hier immers louter over het toekennen van een recht op een ontslagpakket (inclusief outplacementbegeleiding),
wat een zuivere federale bevoegdheid uitmaakt.



Bron: GwH 25 juni 2015, nr. 2015/98, NjW 2015, afl. 330, 745.

De volledige tekst vindt u in het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW). Klik hier voor meer informatie over het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW), alsook voor de abonnementsvoorwaarden.

NjW kan ook gelezen worden op smartphone en tablet. Wie al een abonnement heeft op de papieren versie geniet van een voordeeltarief. Klik hier voor meer informatie over NjW mobiel. 

>>> Als u nu een jaarabonnement neemt op NjW ontvangt u gratis de uitspraak en de bespreking van Pieter Pecinovsky in pdf-formaat. Zend hiervoor een e-mail met vermelding van alle vereiste contactgegevens voor de levering en facturatie van uw abonnement naar: njw@wolterskluwer.be.

De website van NjW: www.e-njw.be

Op Jura vindt u meer rechtsleer over het eenheidsstatuut.


Gepubliceerd op 12-11-2015

  89