Wettelijke grondslag voor vattingsbevel bij uitlevering (art. 216-217 Potpourri V)

Wet houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie

De vijfde Potpourri-wet creëert een wettelijke grondslag voor de heropsluiting van een opgeëist persoon met het oog op uitlevering wanneer die persoon tijdens de uitleveringsprocedure in vrijheid werd gesteld alvorens het uitleveringsbesluit – dat de uitlevering (ten minste deels) toestaat, kon worden betekend.
Wanneer België om een uitlevering wordt verzocht is doorgaans vereist dat de opgeëiste persoon, in afwachting van een beslissing m.b.t. de uitlevering van zijn vrijheid wordt beroofd. Wanneer het uitleveringsverzoek steunt op een buitenlands aanhoudingsbevel of buitenlandse veroordeling dan moeten deze eerst uitvoerbaar worden verklaard én aan de persoon worden betekend alvorens de betrokkene van zijn vrijheid kan worden beroofd. Het kan echter zijn dat iemand als opgesloten was, maar tijdens de uitleveringsprocedure in vrijheid werd gesteld alvorens het uitleveringsbesluit – dat de uitlevering (ten minste deels) toestaat – kon worden betekend. De betrokkene zal dan opnieuw worden opgesloten op basis van het ministerieel uitleveringsbesluit dat wordt uitgevaardigd. Die praktijk werd in 2015 echter aan de kaak gesteld door het Hof van Cassatie. In zijn arrest van 1 april 2015 oordeelde het Hof dat er geen wettelijke grondslag bestaat om een nieuwe detentie toe te laten enkel op basis van het ministerieel uitleveringsbesluit.
De wetgever komt daarom met een oplossing: indien de opgeëiste persoon niet meer gedetineerd is met het oog op zijn uitlevering, dan vaardigt de bevoegde procureur des Konings een vattingsbevel uit met het oog op de betekening en de tenuitvoerlegging van het ministerieel besluit dat de uitlevering toestaat.
De Uitleveringswet wordt in die zin aangepast.
De wetgever maakt van de gelegenheid gebruik om komaf te maken met de verouderd, onnodig en tijdrovend mechanisme in de Uitleveringswet. Indien een buitenlands rechtshulpverzoek de tenuitvoerlegging van een huiszoeking en het beslag van overtuigingsstukken omvat dat eist artikel 11 van de Uitleveringswet eerst een voorafgaande machtiging van de bevoegde raadkamer en nadien een tweede machtiging om de (eventueel) in beslag gnomen overtuigingsstukken aan de verzoekende buitenlandse overheid over te dragen. Die machtigingen zijn voorbijgestreefd. Bewijsmiddelen die in het buitenland zijn gelokaliseerd kunnen immers los van de uitlevering van een gezochte verdachte of veroordeelde persoon worden gevraagd en bekomen. Artikel 11 wordt daarom geschrapt.
Bron: Wet van 6 juli 2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie, BS 24 juli 2017. (art. 216-217 Potpourri V)
Laure Lemmens
Wolters Kluwer
  499