Wetgever wijzigt regels over ‘opeisbaarheid van de btw’, ‘met diensten gelijkgestelde handelingen’, ‘actieve veredeling bij invoer’ en ‘vrijstelling van btw voor levering van schepen’

Wet tot wijziging van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, met betrekking tot de opeisbaarheid van de belasting, de met diensten gelijkgestelde handelingen, de regeling van actieve veredeling bij invoer en de vrijstelling van de belasting voor de levering van schepen voor de vaart op volle zee

De wet van 29 november 2017 wijzigt in het Btw-Wetboek de regels over de ‘opeisbaarheid van de belasting‘, de ‘met diensten gelijkgestelde handelingen’, de ‘regeling van actieve veredeling bij invoer’ en de ‘vrijstelling van de belasting voor de levering van schepen voor de vaart op volle zee’.
Ze zet daarmee gedeeltelijk de btw-richtlijn om in Belgisch recht.
De nieuwe regels gelden vanaf 16 december 2017.

Opeisbaarheid van de belasting

Sinds 1 januari 2016 is voor de leveringen van goederen en diensten, de belasting opeisbaar over het gefactureerde bedrag op het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt, ongeacht of de uitreiking van de factuur plaatsvindt vóór of na het tijdstip waarop de levering of de dienst wordt verricht (art. 17, § 1, eerste lid en art. 22bis, § 1, eerste lid, Btw-Wetboek).
Tot nog toe stond telkens in het vierde lid van artikel 17, § 1 en artikel 22bis, § 1 van het Btw-Wetboek een loutere verwijzing naar artikel 53, § 2, eerste lid van het Btw-Wetboek, waardoor alleen in de vier limitatief in dat lid opgesomde gevallen een factuur moet worden uitgereikt, nl.:
  • de handelingen voor belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen;
  • de verkopen op afstand;
  • de intracommunautaire leveringen van nieuwe vervoermiddelen voor particulieren, en
  • de gevallen waarin de btw opeisbaar wordt bij de ontvangst van de prijs of van een deel ervan, voor het tijdstip waarop het belastbare feit plaatsvindt.
De wet van 29 november 2019 past de artikelen 17, § 1, eerste lid en 22bis, § 1, eerste lid van het Btw-Wetboek nu zo aan dat alle gevallen waarin de belastingplichtige verplicht is om een factuur uit te reiken voor de handelingen die hij verricht in aanmerking komen. En dus ook de situatie waarbij handelingen worden verricht voor natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privégebruik en waarvoor de belastingplichtige gehouden is een factuur uit te reiken krachtens artikel 53, § 2, vijfde lid van het Btw-Wetboek en artikel 1 van het Btw-KB nr. 1.
De nieuwe wet (art. 3 en art. 4) verbetert de verwijzing naar artikel 53, § 2 (“eerste lid” wordt geschrapt) van het Btw-Wetboek om de rechtszekerheid van deze bepalingen te verzekeren door voortaan zonder onderscheid alle situaties te beogen waarin de belastingplichtige ertoe gehouden is een factuur uit te reiken.

Met diensten gelijkgestelde handelingen

Artikel 19, § 2, eerste lid, 1° van het Btw-Wetboek stelt onder bepaalde voorwaarden de uitvoering door een belastingplichtige van een werk in onroerende staat voor de doeleinden van zijn economische activiteit gelijk met een dienst verricht onder bezwarende titel.
Op vraag van de Europese Commissie beperkt de wetgever het toepassingsgebied van dit artikel, en stemt het af op artikel 27 van de btw-richtlijn. Hij sluit ook de gelijkstelling met betrekking tot herstellings-, onderhouds- en reinigingswerk volledig uit, waarmee de bestaande administratieve praktijk reglementair wordt verankerd.
Ten slotte wordt artikel 19, § 2, eerste lid, 2° van het Btw-Wetboek aangepast met het oog op een nauwgezette omzetting van artikel 26, lid 1, punt b), van de btw-richtlijn.
Een “met een dienst verricht onder bezwarende titel zal eveneens gelijkgesteld worden, de uitvoering door een belastingplichtige van een werk in onroerende staat:
  • 1° voor de doeleinden van zijn economische activiteit, wanneer hij, ingeval dergelijk werk wordt verricht door een andere belastingplichtige, hij geen volledig recht op aftrek van de belasting zou hebben;
  • 2° om niet, voor zijn privédoeleinden of deze van zijn personeel of, meer in het algemeen, voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit.
In afwijking van punt 1° zullen het werk dat bestaat in de oprichting van een gebouw door een in artikel 12, § 2, bedoelde belastingplichtige, alsook het herstellings-, onderhouds- en reinigingswerk niet gelijkgesteld worden met een dienst verricht onder bezwarende titel.” (art. 19, § 2, nieuw eerste lid, Btw-wetboek).

Regeling van actieve veredeling bij invoer

Sinds 1 mei 2016 is het nieuwe (herschikte) ‘douanewetboek van de Unie’ van toepassing.
Artikel 256 van het douanewetboek van de Unie omschrijft de nieuwe douaneregeling actieve veredeling, met daarin het huidige “stelsel van actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem”, dat ons land heeft ingevoerd in het Btw-wetboek.
Bovendien is in datzelfde artikel 256, onder de noemer actieve veredeling, de vroegere opschortende douaneregeling “behandeling onder douanetoezicht” opgenomen.
Rekening houdend met deze nieuwe definitie van de douaneregeling actieve veredeling die uitsluitend een opschortende regeling blijft, wordt nu de btw-regeling actieve veredeling (zoals bedoeld in art. 156, lid 1, punt c), btw-richtlijn), integraal in overeenstemming gebracht met deze nieuwe douaneregeling. Bijgevolg zal de btw-regeling actieve veredeling zowel gevallen van invoeren onder het schorsingssysteem dekken, als van invoeren onder het systeem behandeling onder douanetoezicht (art. 23, § 4, 6°, Btw-Wetboek, schrappen van de “met toepassing van het schorsingssysteem”).

Levering van schepen voor de vaart op volle zee vrij van btw

De levering van zeeschepen bestemd voor passagiers- of goederenvervoer tegen betaling, voor de visserij of, meer algemeen, voor de uitoefening van enigerlei industriële of handelsactiviteit, is vrijgesteld van btw (art. 42, § 1, eerste lid, 1°, a), Btw-Wetboek).
Op vraag van de Europese Commissie stemt de wetgever deze vrijstelling af op artikel 148 van de btw-richtlijn. Er wordt niet meer verwezen naar “zeeschepen”, maar naar “schepen voor de vaart op volle zee”. Het concept “volle zee” heeft daarbij betrekking op elk gedeelte van de zee buiten de territoriale wateren van een land dat zich verder bevindt dan ten hoogste 12 zeemijlen te rekenen vanaf basislijnen die bepaald zijn in overeenstemming met het internationaal recht van de zee (Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, ondertekend in Montego Bay op 10 december 1982).
De huidige tekst omvat nu ook enkel een algemene verwijzing naar “de visserij” zonder specifieke bijkomende verwijzing naar de schepen voor kustvisserij, zoals in de btw-richtlijn. Door de invoering van het begrip “schepen voor de vaart op volle zee” in de huidige tekst zou de vrijstelling niet meer van toepassing zijn op de leveringen van schepen voor de kustvisserij, maar enkel op de leveringen van schepen voor visserij op volle zee.
Om de conformiteit van de tekst met de btw-richtlijn ook op dit punt te verzekeren, worden de schepen voor de kustvisserij – net zoals in de btw-richtlijn – nu afzonderlijk vermeld (toevoeging onder art. 42, § 1, eerste lid, 1°, b), Btw-Wetboek).

Technische wijzigingen

Ten slotte brengt de wet van 29 november 2017 ook nog enkele technische wijzigingen aan in het Btw-Wetboek die aansluiten op vroegere wijzigingen van de nationale en Europese wetgeving.

In werking

De wet van 29 november 2017 treedt in werking op 16 december 2017, tien dagen na haar publicatie in het Belgisch Staatsblad.
Bron: Wet van 29 november 2017 tot wijziging van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, met betrekking tot de opeisbaarheid van de belasting, de met diensten gelijkgestelde handelingen, de regeling van actieve veredeling bij invoer en de vrijstelling van de belasting voor de levering van schepen voor de vaart op volle zee, BS 6 december 2017. http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article.pl?language=nl&caller=summary&pub_date=2017-12-06&numac=2017040914#top
Zie ook:
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, PB L 347, 11 december 2006; err., PB L 335, 20 december 2007) (btw-richtlijn)
Christine Van Geel
Wolters Kluwer
  2327