Werkbaar en wendbaar werk: definitief wettelijk kader voor werkgeversgroeperingen (art. 50-55 en 80 WWW)

De wet betreffende werkbaar en wendbaar werk heeft een definitief wettelijk kader vastgelegd voor het systeem van de werkgeversgroeperingen. Oorspronkelijk was het systeem immers experimenteel opgevat. De wetgever heeft ook van de gelegenheid gebruikgemaakt om de toelatingsprocedure te vereenvoudigen. De nieuwe regeling bevat ook een drempel.

Werkgeversgroepering

De werkgeversgroepering is een systeem dat meerdere ondernemingen of werkgevers toelaat om zich te groeperen en een of meer werknemers aan te werven. De tewerkstelling wordt gedeeld tussen de leden van de groepering. De werknemer heeft één arbeidsovereenkomst. De groepering is zijn enige werkgever. Een andere overeenkomt zal de groepering verbinden aan elke gebruikende onderneming. De wet van 10 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen heeft het systeem in het leven geroepen.

De werkgevers die zich willen groeperen, moeten vooraf de toelating vragen aan de minister van Werk. De minister geeft de toelating om werknemers ter beschikking te stellen van de leden van de groepering om tegemoet te komen aan de gezamenlijke personeelsbehoeften. Dat is noodzakelijk omdat de regeling afwijkt van de Uitzendarbeidswet die een verbodbevat op de terbeschikkingstelling van werknemers. Door te werken in een ‘werkgeversgroepering’ worden werknemers ‘gedeeld’ door ondernemingen die geen nood hebben aan voltijdse werknemers of over onvoldoende financiële middelen beschikken om iemand voltijds in dienst te nemen.

Procedure

De procedure voor het verlenen van de ministeriële toelating om te functioneren als een werkgeversgroepering, wordt vereenvoudigd. Voortaan is de minister ook niet langer verplicht om het advies van de NAR in te winnen. De groepering richt een aanvraag (aangetekend schrijven) tot de voorzitter van het directiecomité van de FOD Werkgelegenheid. De minister neemt zijn beslissing binnen een termijn van 40 dagen (vanaf de ontvangst van de aanvraag). Hij kan het advies vragen van de NAR. De termijn wordt dan geschorst. De werkgeversgroepering stelt in zijn aanvraag de koppeling met een paritair orgaan voor, onder deze waaronder zijn leden ressorteren.

Om een toelating te kunnen krijgen, moet de werkgeversgroepering de rechtsvorm hebben van een economisch samenwerkingsverband (in de zin van het Boek XIV van het Wetboek van vennootschappen) of van een vereniging zonder winstoogmerk. En de groepering moet het ter beschikking stellen van werknemers aan zijn leden als enig maatschappelijk doel hebben. De Koning krijgt wel de bevoegdheid om na advies van de NAR ‘andere doelen’ toe te staan, en hij kan ook bijkomende voorwaarden opleggen.

Er geldt een drempel. De werkgeversgroepering mag niet meer dan 50 werknemers (voltijds of deeltijds) tewerkstellen. Maar de Koning kan op advies van de NAR die drempel verhogen. In geval van verhoging kan de minister, zo hij dit nodig acht, het advies van de NAR inwinnen bij het geven van de toelating. Bij overschrijding van de drempel, komt er (automatisch) een einde aan de toelating na een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de datum van overschrijding.

Voor de werkgeversgroeperingen waarvoor de drempel werd verhoogd kan een KB na advies van de NAR de toepassing opleggen van de bepalingen van de Uitzendarbeidswet, met als gevolg dat de arbeidsvoorwaarden (loon, arbeidsduur …) die van toepassing zijn bij één lid van de werkgeversgroepering (verplichtingen van de gebruiker) ook van toepassing zullen zijn op de werknemers van de werknemersgroepering voor de prestaties die ze bij dat lid leveren. Bovendien kan een KB bij een verhoging van de drempel opleggen dat men een externe organisator inschakelt die de hoedanigheid van arbeidsmarktspecialist heeft. De externe organisator mag geen lid zijn van de werkgeversgroepering. En als hij ook activiteiten van uitzendarbeid uitoefent (in de zin van de Uitzendarbeidswet), is de reglementering rond uitzendarbeid niet van toepassing op de activiteiten die uitsluitend verricht worden in het kader van de werkgeversgroepering.

De aanvraagprocedure die op dit moment van kracht is, zit in een uitvoeringsbesluit van 8 juli 2014. Ze is eigenlijk maar van kracht tot 1 juli 2017, want zoals hierboven aangegeven geldt de tekst maar voor een beperkte duur als experiment. De sociale partners in de NAR hadden al herhaaldelijk aangedrongen op een ‘globale juridische oplossing’ voor het systeem van de werkgeversgroepering en die is er nu gekomen.

Modaliteiten

Verder gelden volgende modaliteiten:

  • De werkgeversgroepering voegt haar huishoudelijk reglement toe aan haar toelatingsaanvraag.
  • De werkgeversgroepering moet elk jaar een activiteitenrapport bezorgen aan de voorzitter van het directiecomité van de FOD Werkgelegenheid. De minister kan de koppeling met een paritair orgaan wijzigen op basis van de feitelijke elementen die opgenomen zijn in het activiteitenrapport.
  • De minister van Werk verleent zijn toelating voor onbepaalde duur.
  • De minister kan een einde maken aan zijn toelating wanneer de werkgeversgroepering de voorwaarden niet naleeft.
  • De werkgeversgroepering kan zijn werknemers enkel ter beschikking stellen van zijn leden.
  • In geval van staking of lock-out bij één van zijn leden, mag de werkgeversgroepering geen werknemers ter beschikking stellen of houden van dit lid.
  • De leden van de werkgeversgroepering zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de fiscale en sociale schulden van de werkgeversgroepering, zowel ten overstaan van derden als ten aanzien van de werknemers die door de werkgeversgroepering ter beschikking worden gesteld van zijn leden.

Paritair orgaan

In de toelating bepaalt de minister het paritair orgaan. In voorkomend geval het paritair orgaan voor de bedienden en het paritair orgaan voor de werklieden, onder wiens bevoegdheid de werkgeversgroepering en zijn werknemers ressorteren. Dit om de arbeidsvoorwaarden van de betrokken werknemers te bepalen.

Als alle leden van de werkgeversgroepering onder hetzelfde paritair orgaan vallen, kan de minister geen ander paritair orgaan aanduiden. Als dat niet het geval is, duidt de minister onder de paritaire organen waaronder de leden vallen, het paritair orgaan aan van de werkgeversgroepering. Hij kan het advies inwinnen van de NAR.

Het paritair orgaan wordt aangeduid in functie van het dossier en volgens het grootste volume aan uren of het grootste volume van tewerkstelling van vaste werknemers. Wanneer een nieuw lid dat niet onder een van de paritaire organen valt van de stichtende leden zich aansluit bij de groepering, moet een nieuwe aanvraag worden gedaan om na te gaan of de initieel vastgestelde koppeling met een paritair orgaan gerechtvaardigd blijft. De minister kan hiervoor het advies inwinnen van de NAR. De initieel vastgestelde koppeling met het paritair orgaan blijft behouden gedurende de aanvraagprocedure.

In werking

Dit onderdeel van de wet betreffende werkbaar en wendbaar werk treedt retroactief in werking op 1 februari 2017. Bedoeling is dat er na vier jaar een evaluatie komt in de schoot van de NAR.

Er geldt een overgangsregeling voor de toelatingen die al verleend werden op basis van de bestaande regels. De ministeriële toelatingen die werden gegeven voor de inwerkingtreding van de wet van 5 maart 2017 blijven dus van kracht na deze datum.

Bron:Wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk, BS 15 maart 2017 (art. 50-55 en 80 WWW)

Steven Bellemans

Wet betreffende werkbaar en wendbaar werk

Afkondigingsdatum : 05/03/2017
Publicatiedatum : 15/03/2017

Gepubliceerd op 23-03-2017

  103