Vroeggepensioneerde magistraten kunnen ook plaatsvervanger zijn (art. 65, 74, 75 en 85 Wet Burgerlijk Procesrecht)

Magistraten die op eigen vraag vóór de wettelijke leeftijd met pensioen gaan en de eretitel van hun ambt mogen dragen, de zgn. eremagistraten, kunnen voortaan ook aangewezen worden als plaatsvervangende magistraten. Tot nu behield de wetgever de functie van plaatsvervangend magistraat voor aan magistraten die op de wettelijke leeftijd met pensioen zijn gegaan. Deze verruiming zal zorgen voor een belangrijke nieuwe instroom van ervaren en competente plaatsvervangende magistraten.

Eremagistraten

Magistraten die voor hun 67ste (de normale wettelijke pensioenleeftijd) of 70ste (bij het Hof van Cassatie) met pensioen zijn gegaan en de eretitel van hun ambt mogen dragen, kunnen voortaan ook aangewezen worden als plaatsvervangend magistraat.

Behoud statuut

De eremagistraat behoudt ambtshalve zijn statuut van magistraat. Hij hoeft dus niet herbenoemd te worden om plaatsvervangend magistraat te kunnen zijn.

Hij kan wel uitdrukkelijk afstand doen van zijn statuut van magistraat. Aan het statuut zijn immers een aantal deontologische verplichtingen én een voorrecht van rechtsmacht verbonden.

Hij kan die afstand vragen bij zijn inrustestelling, of later. Bijvoorbeeld wanneer hij een activiteit wil uitoefenen die niet verenigbaar is met de hoedanigheid van magistraat of wanneer hij niet geïnteresseerd is in het ambt van plaatsvervangend magistraat.

Vergoeding

Op dit moment krijgen de plaatsvervangende magistraten een vergoeding wanneer ze geroepen worden ‘om zitting te nemen’. Met deze formulering komen andere prestaties van een plaatsvervangende magistraat niet in aanmerking voor een vergoeding. Nochtans is het takenpakket van een plaatsvervangende magistraat erg geëvolueerd.

De wetgever beslist daarom om de plaatsvervangende magistraat te vergoeden wanneer hij geroepen wordt ‘om zijn ambt uit te oefenen’. Wat veel ruimer is dan het pure zetelen. Uiteraard moeten de vergoede prestaties verband houden met het uitvoeren van juridische taken als plaatsvervangende magistraat. Deelname aan recepties of aan openingszittingen zullen niet vergoed worden.

Die regeling geldt voor alle plaatsvervangende magistraten. Dus ook voor de nieuwe categorie van eremagistraten die plaatsvervangend magistraat worden.

Inwerkingtreding

De art. 65, 74 en 75 van de wet van 19 oktober 2015 treden in werking op 1 november 2015.

Overgangsregeling

De wetgever voorziet ook in een overgangsregeling voor magistraten die niet langer dan vijf jaar geleden met vervroegd pensioen zijn gegaan. Zij kunnen aan de minister nog vragen om aangewezen te worden als plaatsvervangend magistraat. Ze moeten dat doen binnen zes maanden.

De adviesprocedure is tweeledig. Zowel de korpschef van het rechtscollege (of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege) waarop de aanvraag betrekking heeft als de korpschef van het rechtscollege waar de verzoeker het laatst heeft gewerkt moeten advies geven.

De minister bezorgt het verzoek en de adviezen aan de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie binnen de Hoge Raad voor de Justitie. Het is die commissie die dan een voordracht doet: ofwel gaat het om een aanvaarding ofwel om een weigering. De Koning neemt de uiteindelijke beslissing.

Bron:Wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, BS 22 oktober 2015 (art. 65, 74, 75 en 85 Wet Burgerlijk Procesrecht)
Zie ook:Gerechtelijk Wetboek (art. 156bis, 379bis en 383)

Ilse Vogelaere

Wet houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie

Afkondigingsdatum : 19/10/2015
Publicatiedatum : 22/10/2015

Gepubliceerd op 28-10-2015

  345