Vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor startende ondernemingen (art. 58-59 PW2)

KMO’s die ten hoogste 4 jaar oud zijn, mogen 10% van de bedrijfsvoorheffing (BV) die ze inhouden op de bezoldigingen die ze vanaf 1 augustus 2015 betalen of toekennen aan hun werknemers, voor zichzelf houden. Ze moeten de BV weliswaar voor 100% inhouden, maar moeten slechts 90% doorstorten aan de Schatkist. Voor micro-ondernemingen bedraagt het percentage niet door te storten BV zelfs 20%.

Startende KMO’s

De gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van de BV (10%) geldt voor werkgevers die:

  • onder de CAO-wet vallen;
  • aangemerkt worden als ‘kleine vennootschap’ op basis van artikel 15 van het Wetboek van Vennootschappen of een natuurlijke persoon zijn die beantwoordt aan de criteria van artikel 15 van het Wetboek van Vennootschappen. Met ‘kleine vennootschap’ bedoelt men hier een vennootschap met rechtspersoonlijkheid die voor het laatst of het voorlaatst afgesloten boekjaar niet meer dan één van de volgende criteria overschrijdt:
    • jaargemiddelde van het personeelsbestand: 50;
    • jaaromzet (excl. BTW): 7.300.000 euro;
    • balanstotaal: 3.650.000 euro. tenzij het jaargemiddelde van het personeelsbestand meer dan 100 bedraagt;
  • sinds ten hoogste 48 maanden (4 jaar) ingeschreven zijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO). Wanneer een onderneming de activiteit voortzet die voordien werd uitgeoefend door een natuurlijke persoon of een andere rechtspersoon (bv. bij voortzetting van een eenmanszaak onder de vorm van een vennootschap of bij overname van de activiteiten van een bestaande vennootschap) vangt de termijn van 48 maanden aan op het ogenblik van de eerste inschrijving in de KBO door die natuurlijke persoon of rechtspersoon (dus op het ogenblik waarop de activiteiten in hun oorspronkelijke vorm gestart werden).

Hoger vrijstellingspercentage voor micro-ondernemingen

Als de werkgever als een micro-onderneming (vennootschap op natuurlijke persoon) kan worden beschouwd (in de zin van art. 3, lid 1, richtlijn 2013/34/EU) wordt het percentage niet door te storten BV verhoogd van 10% tot 20%.

Micro-ondernemingen zijn ondernemingen die op het einde van het belastbaar tijdperk aan ten minste twee van de drie onderstaande criteria voldoen:

  • het gemiddelde personeelsbestand gedurende het jaar bedraagt niet meer dan 10;
  • de omzet (excl. BTW) bedraagt niet meer dan 700.000 euro;
  • het balanstotaal bedraagt niet meer dan 350.000 euro.

Niet voor ondernemingen in moeilijkheden

De gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting BV kan niet worden toegepast door een werkgever:

  • waarvoor een aangifte of vordering tot faillietverklaring is ingesteld of waarvan het beheer van het actief geheel of ten dele is ontnomen (art. 7 en art. 8, faillissementswet van 8 augustus 1997);
  • waarvoor een procedure van gerechtelijke reorganisatie is geopend (art. 23, wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen);
  • die een ontbonden vennootschap is en zich in staat van vereffening bevindt.

In werking

Deze maatregel is van toepassing op de bezoldigingen die worden betaald of toegekend vanaf 1 augustus 2015.

Hij kan gecumuleerd worden met alle andere maatregelen met betrekking tot het niet-doorstorten van bedrijfsvoorheffing.

Bron:Programmawet van 10 augustus 2015, BS 18 augustus 2015 – art. 58 en art. 59
Zie ook:– Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB 1992) – art. 270, 1°, nieuw art. 275(10)– Wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, BS 15 januari 1969 (CAO-wet). – Wetboek van Vennootschappen (W.Venn.) – art. 15– Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en van de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, Pb.L van 29 juni 2013, afl. 182 – art. 3, lid 1– Wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, BS, 9 februari 2009 - art. 23– Faillissementswet van 8 augustus 1997, BS 28 oktober 1997 – art. 7 en art. 8

Christine Van Geel

Programmawet

Afkondigingsdatum : 24/07/2015
Publicatiedatum : 18/08/2015

Gepubliceerd op 20-08-2015

  284