Voorlopige maatregelen na einde wettelijke samenwoning niet automatisch beperkt in de tijd (DB Justitie, art. 38)

Wet houdende diverse dringende bepalingen inzake justitie

De voorlopige maatregelen die de familierechtbank beveelt na de beëindiging van een wettelijke samenwoning, kunnen volgens artikel 1479 van het Burgerlijk Wetboek ten hoogste één jaar duren. Behalve als die maatregelen op de kinderen betrekking hebben. Wie een verlenging wil, moet die verlenging aanvragen bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. Maar als een familierechtbank voorlopige maatregelen oplegt na ontbinding van een huwelijk, geldt er geen dergelijke beperking in de tijd. En dat is volgens het Grondwettelijk Hof strijdig met het gelijkheidsbeginsel uit de Grondwet.

De wetgever past de wet nu aan. De beperkte geldigheidsduur in geval van wettelijle samenwoning wordt uit het Burgerlijk Wetboek geschrapt. Vanaf nu is het aan de rechter om de duur van de voorlopige maatregelen vast te leggen, naargelang de aard van de maatregel en de feitelijke omstandigheden.

Deze wijziging gaat in op 17 augustus 2020 en is dan ook van toepassing op de lopende zaken.

Zie ook:
Carine Govaert
  104