Voorafgaand geschiktheidsvonnis bij binnenlandse adoptie: KB bevestigt 1 januari 2020 als datum van inwerkingtreding

Koninklijk besluit betreffende de inwerkingtreding van titel 2 van de wet van 6 juli 2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie

De meeste kandidaat-adoptanten zijn op basis van de Potpourriwet van 6 juli 2017 verplicht om een geschiktheidsvonnis voor te leggen als ze willen starten met een binnenlandse adoptieprocedure. Vandaag wordt duidelijk dat die verplichting retroactief geldt, vanaf 1 januari 2020.

Voorafgaand geschiktheidsvonnis

De vijfde en laatste Potpourri-wet van 2017 heeft de procedures voor binnenlandse adoptie grondig hervormd. Een van de nieuwigheden is de invoering van het geschiktheidsvonnis. Een voorafgaande verplichting die al langer bestaat bij interlandelijke adoptie.

Wie in België zijn gewone verblijfplaats heeft en een kind wil adopteren dat ook zijn gewone verblijfplaats heeft in ons land, moet – nog voor er ook maar enige adoptiestap kan worden gezet – een geschiktheidsvonnis kunnen voorleggen (let op: in een aantal situaties is een vonnis niet verplicht). De familierechtbank beoordeelt daarin of iemand al dan niet geschikt is om een kind te adopteren. De rechter zal zich daarvoor baseren op een maatschappelijk onderzoek.

Vanaf 1 januari 2020

De nieuwe regels zouden uiterlijk op 1 januari 2020 in werking treden na aanpassing van de gemeenschapsdecreten en het samenwerkingsakkoord over adoptie. Dat stond al in de wet. Maar deze datum van inwerkingtreding moest ook nog bij KB worden bevestigd. Door de regeringscrisis en de coronapandemie liep dat besluit wat vertraging op, maar het is op 15 september in het Belgisch Staatsblad verschenen.

Titel 2 van de wet van 6 juli 2017 heeft retroactief uitwerking vanaf 1 januari 2020, met uitzondering van de artikelen 11, 13, 33 en 39 die betrekking hebben op de Centrale federale autoriteit. Deze bepalingen gelden al sinds 3 augustus 2017 (10 dagen na publicatie van de Potpourri-wet in het Belgisch Staatsblad. Op basis van artikel 33 moet de griffie van de familierechtbank bijvoorbeeld een afschrift bezorgen aan de Centrale federale autoriteit van alle verzoeken tot totstandkoming van een binnenlandse (of interlandelijke ) adoptie die worden neergelegd bij de familierechtbank. De centrale federale autoriteit speelt de informatie vervolgens door aan de centrale autoriteiten van de gemeenschappen. Op die manier zijn ze op ieder niveau al van bij de neerlegging van een verzoekschrift op de hoogte van àlle adoptieprocedures die bij een Belgische rechter aanhangig worden gemaakt.

Zie ook
Laure Lemmens
Wolters Kluwer
  60