Vlaams decreet legt basis voor ‘afslanking’ provinciaal bestuursniveau

De Vlaamse overheid heeft een decreet gepubliceerd houdende de vernieuwde taakstelling en gewijzigde financiering van de provincies.

De tekst moet de basis vormen voor de ‘afslanking’ van het provinciaal bestuursniveau vanaf 1 januari 2018. De Vlaamse overheid of het lokaal bestuur zal alle persoonsgebonden bevoegdheden overnemen van het provinciale bestuursniveau. Dat gebeurt met alle daaraan verbonden middelen en via een aangepaste wijze van financiering.

2 bestuursniveaus

In die gestroomlijnde bestuurlijke organisatie zullen nog maar 2 bestuursniveaus verantwoordelijk zijn voor de persoonsgebonden zaken: de Vlaamse overheid voor de bepaling van het kader enerzijds, en de lokale overheid voor het lokale beleid dicht bij de burger anderzijds.

Het begrip ‘persoonsgebonden zaken’ wordt gedefinieerd via een bevoegdheidsopsomming (culturele en persoonsgebonden aangelegenheden) die opgenomen is in de bijzondere wet tot hervorming der instellingen. Concreet gaat het om de domeinen Welzijn, Sport, Jeugd, Cultuur en Gelijke Kansen. Het gaat dus niet over Onderwijs, Toerisme of Dierenwelzijn, al blijkt uit het bijhorend verslag dat de precieze afbakening niet altijd gemakkelijk was.

Het Provinciedecreet wordt aangepast zodat expliciet wordt bepaald dat de opgesomde bevoegdheden geen provinciale bevoegdheid meer zijn. Bestaande decretale bepalingen waarin de provincies taken krijgen in de persoonsgebonden sfeer, worden geschrapt. Het gaat om decreten binnen de beleidsvelden Cultuur, Jeugd, Cultureel Erfgoed, Sport en Welzijn. Bij het decreet Flankerend Onderwijsbeleid wordt nu expliciet verwezen naar de (nieuwe en beperkte) taakstelling van de provincies.

Let op! In de toelichting bij het decreet is een bijlage opgenomen met daarin een overzicht van alle persoonsgebonden taken (en alle instellingen) die vanaf 2018 niet langer door de provincies zullen worden uitgeoefend of beheerd.

Het decreet van 18 november 2016 bepaalt het juridisch kader waarbinnen de overdracht van provinciale dienstverlening en de bijbehorende middelen en personeel kan gebeuren. Want zoals aangegeven bepaalt het nieuwe kaderdecreet expliciet: ‘voor de aangelegenheden, vermeld in artikel 4 en 5 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, oefenen de provincies geen bevoegdheden en taken uit.’

Bijhorende middelen

Alle personeelsleden worden overgenomen door de Vlaamse of de lokale overheid. Alle garanties, zoals de hoedanigheid en anciënniteit, blijven behouden, voor zover de voorwaarden van toekenning blijven bestaan. En alle onroerende en roerende goederen, en alle rechten en verplichtingen die verbonden zijn met de persoonsgebonden aangelegenheden, zullen overgaan naar het Vlaamse of naar het lokale niveau.

Een zogenaamde ‘financiële verevening’ via het verminderen van de dotaties vanuit Vlaanderen aan de provincies, was niet mogelijk omwille van de afschaffing van het Provinciefonds. Daarom koos men voor een alternatieve piste via de onroerende voorheffing, namelijk: de Vlaamse basisheffing op het kadastraal inkomen zal vanaf 2018 worden verhoogd van 2,5% tot 3,97%. Ook de sociale tarieven en de kinderkortingen worden aangepast. De extra inkomsten moeten worden verdeeld over de besturen om de overgenomen taken uit te voeren.

De integratie van een deel van de provinciale onroerende voorheffing in de Vlaamse onroerende voorheffing - door een verhoging van de Vlaamse tarieven - is noodzakelijk om de afgenomen financieringsbehoeften van de provincies op te vangen en de toegenomen financieringsbehoeften van de Vlaamse overheid en de gemeenten (wegens de overgenomen provinciale bevoegdheden) op te vangen.

Door de stijging van de Vlaamse basisheffing met een factor 1,58 zal het bedrag van de opcentiemen op de onroerende voorheffing die gemeenten en provincies heffen, dalen met dezelfde factor. Daardoor zal de burger geen extra onroerende voorheffing moeten betalen. De tarieven mogen 5 jaar niet stijgen. Het nieuwe decreet voorziet in het vastleggen van maximumtarieven voor de opcentiemen op de onroerende voorheffing in elke Vlaams provincie gedurende een periode van 5 aanslagjaren vanaf de inwerkingtreding van het decreet.

In werking

Globaal genomen treedt het decreet van 18 november 2016 in werking op 1 januari 2018.

De bepalingen die betrekking hebben op de onroerende voorheffing treden in werking vanaf aanslagjaar 2018. Om tegemoet te komen aan de opmerking van de Raad van State worden de gehanteerde maximumtarieven voor de provinciale opcentiemen op de onroerende voorheffing aan een beperking in de tijd onderworpen. Daarom treedt het betreffende artikel van de Vlaamse Codex Fiscaliteit, dat deze maximumtarief instelt, uit werking vanaf het aanslagjaar 2023.

Bron:Decreet van 18 november 2016 houdende de vernieuwde taakstelling en gewijzigde financiering van de provincies, BS 13 december 2016

Steven Bellemans

Decreet houdende de vernieuwde taakstelling en gewijzigde financiering van de provincies

Afkondigingsdatum : 18/11/2016
Publicatiedatum : 13/12/2016

Gepubliceerd op 16-12-2016

  178