Vijf werkdagen voor cassatieberoep tegen uitvoeringsmodaliteiten internering (art. 223-225 Potpourri III-wet)

Het openbaar ministerie en de advocaat van de geïnterneerde kunnen binnen vijf werkdagen een cassatieberoep instellen tegen de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij. Oorspronkelijk was voorzien in een termijn van 48 uur. Maar het Grondwettelijk Hof heeft die termijn vernietigd omdat die te kort was. Nu wordt dus gekozen voor een termijn van vijf werkdagen.

Het cassatieberoep kan ingesteld worden tegen de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij over

  • de toekenning, afwijzing of herroeping van de beperkte detentie, het elektronisch toezicht, de vrijstelling op proef en de vervroegde invrijheidstelling voor verwijdering van het grondgebied of overlevering. En over de herziening van de bijzondere voorwaarden die aan die uitvoeringsmodaliteiten zijn gekoppeld;
  • de definitieve invrijheidstelling.

Ook tegen de beslissing tot internering van een veroordeelde is een cassatieberoep mogelijk. In dit geval niet tegen de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, wel tegen de beslissing van de correctionele kamer van het hof van beroep. Tegen de beslissing van de kamer moet immers eerst beroep ingesteld worden bij het hof van beroep, vooraleer een cassatieberoep mogelijk is.

De artikelen 223 tot 225 van de wet van 4 mei 2016 zijn in werking getreden op 23 mei 2016. Zij wijzigen de interneringswet van 2014 die zelf in werking treedt op 1 oktober 2016.

Bron:Wet van 4 mei 2016 houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie, BS 13 mei 2016 (art. 223–225 Potpourri III-wet)
Zie ook:Wet van 5 mei 2014 betreffende de internering (art. 78–80)GwH 18 februari 2016, nr. 22/2016

Ilse Vogelaere

Wet houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie

Afkondigingsdatum : 04/05/2016
Publicatiedatum : 13/05/2016

Gepubliceerd op 13-06-2016

  126