Verkooprecht onroerend goed: regels voor teruggave gewijzigd (art. 39 en art. 59, DB Fiscaal)

Decreet houdende diverse fiscale bepalingen

Het komt vaker en vaker voor dat een onroerend goed dat door twee personen werd aangekocht met toepassing van het verkooprecht van 10% (art. 2.9.4.1.1, VCF), binnen de twee jaar na de aankoop wordt verdeeld (bv. als gevolg van een echtscheiding of relatiebreuk), en vervolgens binnen dezelfde termijn wordt verkocht door de partner aan wie het goed werd toebedeeld.

Tot nog toe kon de wederverkoper teruggave vragen van drie vijfde, niet enkel wat zijn wettelijk aandeel in het verkooprecht betreft maar eveneens wat betreft het wettelijk aandeel in het verkooprecht betaald door de andere koper (op basis van art. 3.6.0.0.6, § 2, eerste lid, VCF).

Deze werkwijze was echter hoogst onbillijk voor de andere koper. Deze persoon kon zelf geen teruggave vragen, maar bovendien leidt de teruggave toegestaan aan de andere persoon ertoe dat de meeneembare rechten van deze persoon worden verminderd tot twee vijfde van het door hem betaalde verkooprecht. Dit was dus zeer nadelig als deze persoon een andere woning wilde kopen met toepassing van de meeneembaarheid.

De wetgever verhelpt hier nu aan door vanaf 7 januari 2019 de teruggave te beperken tot drie vijfde van het wettelijk aandeel van wederverkoper in het verkooprecht geheven op de verkrijging. Anderzijds krijgt ook de andere koper het recht teruggave te vragen van drie vijfde van zijn wettelijk aandeel (nieuw lid 2, § 1, art. 3.6.0.0.6, VCF, ingevoegd door art. 39, 1°, decreet van 21 december 2018).

Met een wijziging van § 2/1 van artikel 3.6.0.0.6 van de VCF wil de decreetgever zijn bedoeling bij de invoering van de verlaagde tarieven van de registratiebelasting via het decreet van 18 mei 2018 verduidelijken. Het oorspronkelijke artikel 3.6.0.0.6, § 2/1 van de VCF voorzag dat onder bepaalde voorwaarden van het klein beschrijf (afgeschaft door het decreet van 18 mei 2018) kon worden genoten door middel van een teruggave.
Het decreet van 18 mei 2018 behield die mogelijkheid ook voor het nieuw verlaagd tarief van 7%, maar verwees niet naar de in sommige gevallen verlaagde tarieven van 6% en 1%. De decreetgever achtte dit niet nodig aangezien alle basisvoorwaarden voor het tarief van 7%, ook per definitie gelden voor de tarieven van 6% en 1%. Wanneer die voorwaarden achteraf voldaan worden, werd ervan uitgegaan dat artikel 3.6.0.0.6, § 2/1 VCF kon worden toegepast, ook al bleek dat niet uit de letterlijke lezing van de tekst.
Om elke onzekerheid hierover uit te sluiten, wordt dit nu wel expliciet opgenomen in de VCF (aanpassing § 2/1, art. 3.6.0.0.6, VCF door art. 39, 2°, decreet van 21 december 2018). Deze aanpassing wordt ingevoerd met terugwerkende kracht vanaf 1 juni 2018.

Tenslotte brengt de decreetgever nog een technische wijziging aan in § 2/1 van artikel 3.6.0.0.6 van de VCF om aan te tonen dat het onroerend goed dat de onmiddellijke toepassing van het tarief van 7%, 6% of 1% verhinderde zowel een ‘bouwgrond’ als een woning kan zijn (aanpassing § 2/1, art. 3.6.0.0.6, VCF door art. 39, 3°, decreet van 21 december 2018). Ook deze aanpassing wordt ingevoerd met terugwerkende kracht vanaf 1 juni 2018.

Bron: Decreet van 21 december 2018 houdende diverse fiscale bepalingen, BS 28 december 2018 (art. 39).
Zie ook:
– Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, BS 23 december 2013 (VCF) (art. 3.6.0.0.6)
Decreet van 18 mei 2018 houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de hervorming van het verkooprecht en vereenvoudigingen in de registratiebelasting, BS 28 mei 2018.
Christine Van Geel
Wolters Kluwer
  302