Update voor regels over betalingsdiensten en kredietovereenkomsten in het ‘Wetboek van Economisch Recht’ (art. 7-20, DB Economie)

De ‘wet van 18 april 2017 houdende diverse bepalingen inzake economie’ heeft de regels voor de betalings- en kredietdiensten bijgewerkt die in Boek VII. van het Wetboek van economisch recht staan.

De nieuwigheden hebben onder meer betrekking op het sluiten van de kredietovereenkomst (consumentenkrediet en hypothecair krediet), de toegang tot de activiteit van kredietgevers en kredietbemiddelaars, de bedrijfs- en vergunningsvoorwaarden, en de inschrijvingsvoorwaarden voor bemiddelaars inzake hypothecair krediet.

Hierna volgt een overzicht van de belangrijkste nieuwigheden.

Consumentenkrediet

OnderzoeksplichtEen kredietgever mag slechts een kredietovereenkomst sluiten wanneer hij, op basis van de gegevens waarover hij beschikt of zou moeten beschikken, moet aannemen dat de consument in staat zal zijn om de verbintenissen die voortvloeien uit de overeenkomst, na te komen.

Wanneer er in hoofde van een consument een wanbetaling(en) geregistreerd staat in de Centrale voor Kredieten aan Particulieren voor een totaal achterstallig bedrag van meer dan 1.000 euro in het kader van een consumentenkrediet en/of een hypothecair krediet met een roerende bestemming die niet werd afgelost, dan kan een kredietgever geen nieuwe kredietovereenkomst sluiten. In de andere gevallen van een niet-afgeloste wanbetaling kan een kredietgever slechts een nieuwe kredietovereenkomst sluiten mits een bijzondere motivering in het kredietdossier (wijziging art. VII.77, § 2, tweede lid, WER; art. 8, wet van 18 april 2017).

De ‘1.000 euro-regel’ wordt hier aangepast omdat als gevolg van de nieuwe ‘wet op het hypothecair krediet van 22 april 2016’ een gedeelte van de kredietovereenkomsten die in aanmerking kwamen om die regel toe te passen, niet langer wordt beschouwd als consumentenkrediet, maar als een hypothecair krediet met een roerende bestemming.

Sluiten van de kredietovereenkomstDe kredietovereenkomst wordt gesloten door de handmatige of de elektronische ondertekening van alle contracterende partijen en wordt opgesteld op een duurzame drager die alle wettelijke contractuele voorwaarden en vermeldingen (art. VII.78, WER) bevat. Elke overeenkomstsluitende partij die een onderscheiden belang heeft, en ook de kredietbemiddelaar, krijgt een exemplaar van de kredietovereenkomst. Behalve voor de kredietopening is geen enkele kredietovereenkomst van bepaalde duur met aflossing van kapitaal voltrokken zolang er geen aflossingstabel werd overhandigd aan iedere overeenkomstsluitende partij met een onderscheiden belang.

Bij een kredietopening laat de consument zijn handtekening voorafgaan door de vermelding van het kredietbedrag: Gelezen en goedgekeurd voor... euro op krediet. Bij alle overige kredietovereenkomsten laat de consument zijn handtekening voorafgaan door de vermelding van het totale door de consument terug te betalen bedrag: Gelezen en goedgekeurd voor... euro terug te betalen. In beide gevallen vermeldt de consument de datum en het juiste adres van de ondertekening van het contract.

De elektronische ondertekening gebeurt:

  • door een gekwalificeerde elektronische handtekening of een gekwalificeerd elektronisch zegel (bedoeld in resp. art. 3.12. en art. 3.27. van verordening (EU) nr. 910/2014 van 23 juli 2014);
  • of door een andere elektronische handtekening die de identiteit van de partijen, hun instemming met de inhoud van de kredietovereenkomst en het behoud van de integriteit van deze overeenkomst verzekert. De Koning kan hiertoe de criteria bepalen. In geval van betwisting is het aan de kredietgever om aan te tonen dat deze elektronische handtekening daadwerkelijk deze functies verzekert (wijziging art. VII.78, § 1, vierde lid, WER; art. 9, wet van 18 april 2017).

Hypothecair krediet

Sluiten van de kredietovereenkomstBovenstaande regels over de elektronische handtekening gelden ook bij het sluiten van een kredietovereenkomst in het kader van het hypothecair krediet (wijziging art. VII.134, § 1, tweede lid, WER; art. 11, wet van 18 april 2017).

Veranderlijkheid periodieke rentevoetIndien de veranderlijkheid van de periodieke rentevoet overeengekomen werd, mag er slechts één rentevoet zijn per kredietovereenkomst. Op deze periodieke rentevoet zijn een aantal regels van toepassing. Zo moet de verandering van deze rentevoet gebonden zijn aan de schommelingen van een referte-index, genomen uit een reeks referte-indexen in functie van de duur van de perioden van verandering van de rentevoet.

De lijst en de berekeningswijze van de referte-indexen worden bepaald door de Koning, in een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, genomen op advies van de Bank. Het advies van de FSMA is hier, gezien de nieuwe rol van de Nationale Bank van België als toezichthouder, overbodig geworden. Het werd dan ook geschrapt (wijziging art. VII.143, § 3, WER; art. 12, wet van 18 april 2017). Het advies van de NBB volstaat.

Toegang tot de activiteit van de kredietgevers en de kredietbemiddelaars

Elke kredietgever, en dus ook een kredietgever die geen nieuwe kredieten meer toestaat maar enkel bestaande kredieten beheert en afwikkelt, is onderworpen aan de regels van Boek VII., titel 4, hoofdstuk 4 van het Wetboek van economisch recht. Hij moet dus een vergunning als kredietgever hebben (art. VII.159, § 1, WER). Sommige van die kredietgevers die een voorlopige vergunning hebben, voldoen niet aan alle vergunnings- en bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden om een definitieve vergunning te bekomen, en zij kunnen niet altijd eenvoudig een overnemer vinden voor hun kredieten.

De ‘wet van 18 april 2017 houdende diverse bepalingen inzake economie’ voorziet in een machtiging aan de Koning om afwijkingen vast te stellen op de vergunnings- en bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden voor de kredietgevers ie geen kredieten meer toestaan maar enkel bestaande kredieten beheren en afwikkelen (nieuwe § 2/1, art. VII.159, WER; art. 14, wet van 18 april 2017). Bepaalde vergunnings- en bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden, zoals de vereisten inzake minimumkapitaal, zijn immers minder belangrijk voor die kredietgevers.

Vergunningsvoorwaarden

Voor de kredietgevers die al over een voorlopige vergunning of een registratie beschikken, uitgereikt op basis van modelkredietovereenkomsten die werden goedgekeurd in het kader van de vroegere regelgeving (de ‘wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet’ en de ‘wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet’, zoals geïntegreerd in boek VII van het WER) wordt de voorwaarde dat de modelkredietovereenkomsten door de FOD Economie vooraf moeten goedgekeurd zijn, vervangen door de voorwaarde dat de modelkredietovereenkomsten ter goedkeuring aan de FOD Economie werden voorgelegd.

De voorlopig vergunde kredietgevers kunnen dus al een definitieve vergunning krijgen als zij bewijzen dat ze hun modelkredietovereenkomsten ter goedkeuring aan de FOD Economie hebben overgemaakt, op voorwaarde dat ze ook aan de andere vergunningsvoorwaarden voldoen. De kredietgevers die al geregistreerd zijn, behouden deze registratie als ze het bewijs voorleggen dat ze binnen de overgangsperiode hun modelkredietovereenkomsten, inclusief aflossingstabellen, ter goedkeuring aan de FOD Economie hebben voorgelegd (aanvulling § 4, art. VII.160, WER; art. 15, wet van 18 april 2017).

Wanneer de FOD Economie aan de FSMA bij gemotiveerde kennisgeving meedeelt, na betrokkene te hebben gehoord, dat de modelcontracten van een kredietgever werden afgekeurd, dan is artikel XV.67/1, § 1 van het WER van toepassing. Dat betekent dat de FSMA dan ambtshalve de vergunning van de kredietgever schrapt zonder een nieuw onderzoek ten gronde en de FOD Economie onverwijld informeert over de uitgesproken schrapping. Voor de geregistreerde kredietgevers voorziet het huidige artikel VII.174, § 6, reeds in de te volgen procedure indien de FOD Economie de FSMA laat weten dat zij de modelkredietovereenkomsten heeft afgekeurd.

Deze versoepeling geldt niet voor de vergunnings- of registratieaanvragen van nieuwe kredietgevers, wiens modelkredietovereenkomsten in principe nog nooit door de FOD Economie of de FSMA werden goedgekeurd. Voor hen blijft de verplichting bestaan om vooraf hun modelkredietovereenkomsten te laten goedkeuren door de FOD Economie die deze aanvragen prioritair zal behandelen. De FOD Economie moet uitspraak doen over de voorgelegde modelkredietovereenkomsten binnen een termijn van 4 maanden (aanvulling § 5, art. VII.160, WER; art. 15, wet van 18 april 2017).

Bovenstaande regeling geldt ook voor de kredietgevers naar buitenlands recht (wijziging § 4, art. VII.174, WER; art. 17, wet van 18 april 2017).

Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden

De FSMA publiceert op haar website een regelmatig geactualiseerde lijst van de kredietgevers, samen met de historiek van de wijzigingen die tijdens de laatste 12 maanden in die lijst zijn aangebracht. Die lijst bestaat uit een ‘lijst van de kredietgevers inzake hypothecair krediet’ en een ‘lijst van de kredietgevers inzake consumentenkrediet’, die op hun beurt nog onderverdeeld zijn in resp. kredietgevers naar Belgisch recht met een vergunning en kredietgevers naar buitenlands recht met een vergunning.

De ‘lijsten van de kredietgevers inzake hypothecair krediet (resp. naar Belgisch recht met een vergunning en naar buitenlands recht met een vergunning)’ worden vervolledigd met (wijziging art. VII.172, WER; art. 16, wet van 18 april 2017):

  • kredietgevers die geen kredieten meer toestaan maar enkele bestaande kredieten beheren en afwikkelen (art. VII.159, § 2/1, WER);
  • overnemers van schuldvorderingen uit een hypothecair krediet met een onroerende bestemming (art. VII.159, § 3, tweede lid, WER);
  • andere kredietgevers (inzake hypothecair krediet naar buitenlands recht).

De ‘lijsten van de kredietgevers inzake consumentenkrediet (resp. naar Belgisch recht met een vergunning en naar buitenlands recht met een vergunning)’ worden vervolledigd met:

  • kredietgevers die geen kredieten meer toestaan maar enkele bestaande kredieten beheren en afwikkelen (art. VII.159, § 2/1, WER);
  • andere kredietgevers (inzake consumentenkrediet naar buitenlands recht).

De FSMA kan voortaan in de lijst die ze bekendmaakt ook alle informatie vermelden die ze nuttig acht voor een correcte informatieverstrekking aan het publiek. Zo kan de FSMA onder meer vermelden dat geregistreerde kredietgevers naar buitenlands recht in België enkel een bestaande portefeuille kredieten beheren en afwikkelen en geen nieuwe kredieten toestaan.

Bemiddelaars inzake hypothecair krediet

Om in het register van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet te kunnen worden ingeschreven, en om die inschrijving te kunnen behouden, moet de aanvrager van een inschrijving aan een aantal voorwaarden voldoen (art. VII.181, WER).

De wet van 18 april 2017 versoepelt de inschrijvingsvoorwaarde voor bemiddelaars inzake hypothecair krediet en de verantwoordelijken voor de distributie, en voor de leden van het wettelijk bestuursorgaan en de personen belast met de effectieve leiding indien de bemiddelaar inzake hypothecair krediet een rechtspersoon is, dat men niet failliet mag zijn verklaard, tenzij eerherstel werd verkregen, in die zin dat ze toevoegt dat het faillissement niet mag dateren van minder dan 10 jaar voor de inschrijving. Indien men dus meer dan 10 jaar voordien failliet werd verklaard, is het beroepsverbod in geval van faillissement niet van toepassing op deze persoon, ook al werd geen eerherstel verkregen.

Ook de gelijkstelling met de gefailleerde van de bestuurders en de zaakvoerders van een failliet verklaarde handelsvennootschap van wie het ontslag niet ten minste één jaar vóór de faillietverklaring in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, alsook van iedere persoon die, zonder bestuurder of zaakvoerder te zijn, werkelijk bevoegd is geweest om de failliet verklaarde vennootschap te beheren, wordt opgeheven.

(wijziging art. VII.181, WER; art. 18, wet van 18 april 2017).

In werking

Deze maatregelen treden in werking op 4 mei 2017, tien dagen nadat de wet van 18 april 2017 in het Belgisch Staatsblad verscheen.

Bron:Wet van 18 april 2017 houdende diverse bepalingen inzake economie, BS 24 april 2017 (art. 7-20).
Zie ook:– Wet van 22 april 2016 houdende wijziging en invoeging van bepalingen inzake consumentenkrediet en hypothecair krediet in verschillende boeken van het Wetboek van economisch recht, BS 4 mei 2016. – Wetboek van economisch recht van 28 februari 2013 (WER), BS 29 maart 2013 (Boek VII.)

Christine Van Geel

Wet houdende diverse bepalingen inzake economie

Afkondigingsdatum : 18/04/2017
Publicatiedatum : 24/04/2017

Gepubliceerd op 04-05-2017

  356