Toegelaten vergoeding voor parlementairen met publiek mandaat stijgt

Wetgevende assemblees

Leden van het Europees Parlement of van de federale, gemeenschaps- of gewestparlementen mogen bovenop de vergoeding die ze krijgen voor hun parlementair mandaat, nog inkomsten hebben uit openbare mandaten, openbare functies of openbare ambten van politieke aard. Het totale bedrag van die vergoedingen, wedden of presentiegelden mag echter niet hoger zijn dan de helft van de parlementaire vergoeding. Voor 2019 bedaagt het plafond 63.644,02 euro. In 2018 lag het iets lager, op 63.395,22 euro.

Let op. In dat toegelaten bedrag zitten vanaf de volgende hernieuwing van de Kamer ook de vergoedingen, wedden, of presentiegelden die een parlementslid krijgt voor het uitoefenen van een bijzondere parlementaire functie, bovenop zijn gewone parlementaire vergoeding. Bijvoorbeeld voor de functie van fractievoorzitter, bureaulid of commissievoorzitter. Maar met de extra vergoeding voor de parlementsvoorzitter wordt geen rekening gehouden.

Een parlementslid mag zijn parlementair werk combineren met diverse publieke mandaten die hij in eigen naam invult, maar slechts met één ‘bezoldigd uitvoerend mandaat’. Een mandaat in een openbare of particuliere instelling als vertegenwoordiger van de federale overheid, van een gemeenschap, gewest, provincie of gemeente dat niet meer inhoudt dan het louter lidmaatschap van de algemene vergadering of van de raad van bestuur en dat een maandelijks bruto belastbaar inkomen oplevert van – voor het jaar 2019 - minder dan 727,86 euro per maand, wordt niet beschouwd als een ‘bezoldigd uitvoerend mandaat’. In 2018 lag de grens op 707,86 euro. Die mandaten kunnen dus - qua aantal - onbeperkt gecumuleerd worden met een parlementair mandaat. Uiteraard moet er wel rekening gehouden worden met de financiële cumulatiebeperking.

Bron: Wetgevende assemblees, BS 16 januari 2019
Zie ook:
Wet van 6 augustus 1931 houdende vaststelling van de onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de Ministers, gewezen Ministers en Ministers van staat, alsmede de leden en gewezen leden van de wetgevende kamers (art. 1quater en 1quinquies)
Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen (art. 24bis en art. 31ter)
Bijzondere Wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen (art. 12 en art. 25)
Wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap (art. 10bis en 14bis)
Ilse Vogelaere
  146