Té korte vervaltermijn voor Raad voor Vergunningsbetwistingen

In een arrest van 30 juni 2014 vernietigt het Grondwettelijk Hof de zeer korte termijn waarover de partijen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvvB) beschikken als zij een verzoek tot voortzetting van de procedure willen indienen na een schorsingsbeslissing.

Het Hof vernietigt ook de bepaling die de Vlaamse regering machtigt om de bezoldiging van de leden van de Raad voor Vergunningsbetwistingen vast te leggen.

Te korte vervaltermijn

Bij decreet van 6 juli 2012 voerde de Vlaamse decreetgever diverse wijzigingen door aan het statuut van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, opdat de Raad sneller en efficiënter zou kunnen werken. Zo voerde de decreetgever een ‘filter’ in tussen de schorsings- en vernietigingsprocedure.

Als de Raad zich uitspreekt over een verzoek tot schorsing, wordt de vernietigingsprocedure sinds 1 september 2012 alleen nog voortgezet als de partij die aan het kortste eind trok, actie onderneemt (art. 4.8.19 VCRO). Als de Raad de schorsing beveelt, zal de verweerder of een tussenkomende partij een verzoekschrift tot voortzetting van de procedure moeten indienen. Zo niet, zal de vergunningsbeslissing volgens een versnelde procedure vernietigd worden. Als de Raad de vordering tot schorsing verwerpt, is het aan de verzoeker om de voortzetting van de procedure te vragen. Zo niet, gaat men er onweerlegbaar van uit dat hij afstand deed van geding.

De betrokkene moet zijn verzoek tot voortzetting van de procedure indienen binnen een vervaltermijn van 15 dagen. En dat is erg kort. Té kort, menen de leden van het Grondwettelijk Hof.

“Niettegenstaande aan de partijen enkel een formeel verzoek tot voortzetting wordt gevraagd – zonder inhoudelijke standpunten – zou een dermate korte vervaltermijn afbreuk kunnen doen aan de rechten van de verdediging indien hij hen niet in staat stelt op bevredigende wijze overleg te plegen met hun advocaat. Hij (nvdr. die termijn van 15 dagen dus) vormt in elk geval geen relevante maatregel in het licht van het door de decreetgever nagestreefde doel, aangezien de korte duur van de termijn de partijen ertoe kan brengen stééds een verzoek tot voortzetting in te dienen, waardoor het nut van de (…)procedure verdwijnt.”

Daarop vernietigt het Hof artikel 4.8.19, leden 1, 2 en 3, en is het onduidelijk welke rechtsgevolgen er vanaf nu verbonden zijn aan een schorsingsbeslissing. Op de website van de Raad voor Vergunningsbetwistingen wordt daarover niets gezegd.

Onpartijdige rechter vergt onpartijdige bezoldiging

In hetzelfde arrest van 30 juni 2014 vernietigt het Grondwettelijk Hof ook artikel 4.8.34, §2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Dat artikel delegeert aan de Vlaamse regering de bevoegdheid om de bezoldiging, de toelagen en de vergoedingen van de Raadsleden van de Raad voor Vergunningsbetwistingen vast te leggen.

De Grondwet bepaalt echter dat er “geen met rechtspraak belast orgaan kan worden ingesteld dan krachtens een wet” (of decreet). De wet- of decreetgever moet zelf de essentiële beginselen regelen. Eén van die essentiële elementen bij de oprichting van een rechtscollege is het vastleggen van de wedden van de Raadsleden, met het oog op hun onafhankelijkheid. Dat moet dus bij wet (of decreet) geregeld worden en niet en niet één of ander uitvoeringsbesluit.

Een loutere verwijzing naar een schaal of barema kan volgens de raadsheren van het Grondwettelijk Hof volstaan, maar de hele bezoldigingsregeling overlaten aan de Vlaamse regering, kan niet. Artikel 4.8.34, §2 VCRO schendt de Grondwet en het algemeen rechtsbeginsel van de onafhankelijkheid van de rechter. Het artikel wordt dan ook vernietigd, maar de gevolgen ervan worden gehandhaafd. Dit om de bezoldiging van de huidige Raadsleden niet ter discussie te stellen en de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet te verlammen.

Maar het Hof handhaaft de huidige bezoldigingsregels slechts tot de inwerkingtreding van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, dat nog gepubliceerd moet worden. En ten laatste tot 31 december 2014.

Het decreet van 4 april 2014 voert gelijkvormige bepalingen in voor de oprichting en werking van 3 Vlaamse administratieve rechtscolleges: de Raad voor Vergunningsbetwistingen, het Milieuhandhavingscollege, en de Raad voor Verkiezingsbetwistingen. Het nieuwe decreet regelt ook de bezoldiging en vergoeding van de bestuursrechters, en verwijst daarvoor naar het Vlaams personeelsstatuut.

Nog meer vernietigingen

Het Grondwettelijk Hof vernietigde eerder ook al de bepalingen over de bestuurlijke lus bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (art. 4.8.4 VCRO en art. 4.8.28, §2, derde lid VCRO), en die over het rolrecht (art. 4.8.13 VCRO).

De Raad voor Vergunningsbetwistingen is een Vlaams administratief rechtscollege dat in beroep uitspraak doet over beslissingen tot het al of niet afleveren van stedenbouwkundige of verkavelingsvergunningen, over de validering of weigering van validering van as-builtattesten, en over registratiebeslissingen waarbij een constructie al dan niet ‘als vergund’ wordt opgenomen in het vergunningenregister.

Bron:Uittreksel uit arrest nr. 98/2014 van 30 juni 2014, BS 22 juli 2014; en GwH 30 juni 2014, nr. 98/2014.
Zie ook:Decreet van het Vlaamse Gewest van 6 juli 2012 houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, BS 24 augustus 2012 (art. 5 van het decreet van 6 juli 2012).

Carine Govaert

Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft

Afkondigingsdatum : 06/07/2012
Publicatiedatum : 24/08/2012

Gepubliceerd op 24-07-2014

  129