Starterslonen voor jongeren: werkgever die ‘compenserende toeslag’ betaalt krijgt vrijstelling van doorstorting BV

Koninklijk besluit tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de vrijstelling van doorstorten van bedrijfsvoorheffing in toepassing van artikel 27511 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992

Een werkgever die een compenserende toeslag betaalt aan een jonge werknemer zonder werkervaring van 18, 19 of 20 jaar, krijgt die toeslag door de federale overheid vergoed onder de vorm van een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.

Deze vrijstelling is, in tegenstelling tot de andere vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing (BV), overdraagbaar.

Een KB van 13 april 2019 bevat de modaliteiten die de werkgever moet vervullen om van deze vrijstelling van doorstorting van BV te kunnen genieten, samen met de manier waarop hij de overdracht ervan moet verwerken.
Het KB voegt deze modaliteiten toe aan het KB/WIB 1992.

Het KB van 13 april 2019 heeft uitwerking vanaf 1 maart 2019.

De werkgevers betalen de compenserende toeslagen voor het eerst uit in maart 2019, met inbegrip van de compenserende toeslagen voor jonge werknemers van wie het loon in de maanden vóór 1 maart 2019 werd verminderd (art. 33bis, § 4, wet van 24 december 1999 en art. 5, wet van 7 april 2019).

De compenserende toeslag die de werkgever aan de jongere betaalt, is afhankelijk van de leeftijd van de jongere en de hoogte van het minimumloon.
De toeslag is vrijgesteld van sociale bijdragen en belastingen, en compenseert het verschil tussen zijn nettoloon vóór de vermindering van het brutoloon en zijn nettoloon nà de vermindering.

Twee aangiftes in de BV indienen

Net als voor de andere maatregelen inzake vrijstelling van doorstorten van BV moet de werkgever twee aangiftes in de bedrijfsvoorheffing indienen (nieuw punt 11°, derde lid, § 1, art. 95(2), KB/WIB 1992; ingevoegd bij art. 1, a), KB van 13 april 2019).

De eerste aangifte in de BV heeft betrekking op de bezoldigingen die de werkgever aan al zijn werknemers betaalde of toekende.

De tweede aangifte in de BV heeft uitsluitend betrekking op de bezoldigingen van werknemers waarvoor de werkgever een deel (of het geheel) van de verschuldigde BV niet in de Schatkist moet storten.

In geval van een vrijstelling van doorstorting van BV m.b.t. de compenserende toeslag moet deze aangifte de volgende specifieke vermeldingen bevatten:
  • in het vak ‘aard der inkomsten’: de code 62;
  • in het vak ‘belastbare inkomsten’: het bedrag van de compenserende toeslagen die de werkgever heeft betaald of toegekend in de periode waarop de aangifte betrekking heeft;
  • in het vak ‘verschuldigde bedrijfsvoorheffing’: het bedrag van de betaalde of toegekende compenserende toeslagen dat effectief in mindering wordt gebracht van de voor de betrokken periode nog verschuldigde BV (negatief bedrag).

Het in het vak ‘belastbare inkomsten’ te vermelden bedrag is altijd het bedrag van de compenserende toeslagen zoals bedoeld in artikel 33bis, § 4 van ‘de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid’ die de werkgever heeft betaald of toegekend in de periode waarop de aangifte in de BV betrekking heeft.

Het in het vak ‘verschuldigde bedrijfsvoorheffing’ te vermelden (negatieve) bedrag zal doorgaans gelijk zijn aan het bedrag van de compenserende toeslagen die de werkgever in de periode waarop de BV betrekking heeft, heeft betaald of toegekend (zie vak ‘belastbare inkomsten’ in de tweede aangifte) en die hij via het mechanisme van niet doorstorten van BV recupereert van de federale overheid.

Het (negatieve) bedrag aan gerecupereerde compenserende toeslagen in het vak ‘verschuldigde bedrijfsvoorheffing’ kan ook lager zijn dan het in het vak ‘belastbare inkomsten’ vermelde bedrag van de betaalde of toegekende toeslagen. Dit zal het geval zijn wanneer de BV die de werkgever nog verschuldigd is na toepassing van de andere maatregelen inzake het niet doorstorten van BV, lager is dan het bedrag van de compenserende toeslagen die de werkgever in de betrokken periode heeft uitgekeerd.

Over alle aangiften voor een bepaald kalenderjaar beschouwd, kan (de absolute waarde van) het totaal van (negatieve) bedragen vermeld in het vak ‘verschuldigde bedrijfsvoorheffing’ van de tweede aangiften voor dat kalenderjaar, i.c. de voor dat kalenderjaar gerecupereerde compenserende toeslagen, niet hoger zijn dan het totaal van de bedragen vermeld in het vak ‘belastbare inkomsten’ van die tweede aangiften, i.c. het bedrag van de in het bewuste kalenderjaar betaalde of toegekende compenserende toeslagen.

Wanneer voor een bepaald kalenderjaar het totaal van de (negatieve) bedragen vermeld in het vak ‘verschuldigde bedrijfsvoorheffing’ van de tweede aangiften, i.c. de voor dat kalenderjaar gerecupereerde compenserende toeslagen, lager zou zijn dan het totaal van de bedragen vermeld in het vak ‘belastbare inkomsten’ van die tweede aangiften, i.c. het bedrag van de in het bewuste kalenderjaar betaalde of toegekende compenserende toeslagen, dan zal de belastingplichtige dat verschil als beroepskost kunnen inbrengen (zie art. 53, 26°, WIB 1992).

Het Verslag aan de Koning bij het KB van 13 april 2019 verduidelijkt de overdracht van deze vrijstelling van doorstorting van BV met twee voorbeelden.

Documenten ter beschikking houden van de fiscus

Ter staving van zijn aangifte in de BV moet de werkgever een nominatieve lijst ter beschikking houden van de belastingadministratie, met daarin voor elke jonge werknemer aan wie hij een compenserende toeslag betaalde of toekende:
  • de volledige identiteit;
  • het nationaal nummer;
  • het bedrag van de betaalde of toegekende compenserende toeslag.

(nieuwe rubriek X van bijlage IIIter, KB/WIB 1992, ingevoegd bij art. 3, KB van 13 april 2019).

In werking

Het KB van 13 april 2019 heeft uitwerking vanaf 1 maart 2019.

Bron: Koninklijk besluit van 13 april 2019 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de vrijstelling van doorstorten van bedrijfsvoorheffing in toepassing van artikel 275(11) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, BS 3 mei 2019.
Zie ook:
Wet van 7 april 2019 betreffende de sociale bepalingen van de jobsdeal, BS 19 april 2019 (art. 5)
Wet van 23 maart 2019 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voor wat betreft de fiscale bepalingen van de jobsdeal, BS 5 april 2019 (art. 9, art. 10, art. 11 en art. 12).
– Wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, BS 27 januari 2000 (art. 33bis, § 4)
– Koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, BS 13 september 1993 (KB/WIB 1992) (art. 95(2), bijlage IIIbis en bijlage IIIter).
– Wetboek van de inkomstenbelastingen van 10 april 1992, BS 30 juli 1992 (WIB 1992) (art. 38, § 1, eerste lid, 32°, art. 53, 26° en art. 275(11)).
Christine Van Geel
Wolters Kluwer
  33