Starters-bvba van advocaat uitsluiten van vrijstelling vennootschapsbijdrage strijdig met Grondwet

Wet houdende sociale en diverse bepalingen

Het Grondwettelijk Hof heeft zich in het kader van een prejudiciële vraag uitgesproken over de regels rond de vrijstelling van de vennootschapsbijdrage. Meer specifiek over de verschillende behandeling van een starters-bvba die te kwalificeren is als handelsonderneming en de starters-bvba die de uitoefening van het beroep van advocaat als statutair doel heeft. Volgens het Hof moeten beide categorieën van de vrijstelling van de vennootschapsbijdrage kunnen genieten.

De wet stelt dat ‘personenvennootschappen die ingeschreven zijn als handelsonderneming in de KBO’ onder bepaalde voorwaarden gedurende de eerste drie jaar vrijgesteld zijn van de vennootschapsbijdrage. Het Hof stelt vast dat deze regel een verschil in behandeling doet ontstaan tussen twee categorieën starters-bvba’s: aan de ene kant diegene die als ‘handelsonderneming’ kunnen aangemerkt worden en aan de andere kant diegene die de uitoefening van het beroep van advocaat als statutair doel hebben. De eerste categorie kan vrijgesteld worden van de vennootschapsbijdrage aangezien deze starters-bvba’s in de KBO zijn ingeschreven als handelsonderneming, de tweede categorie niet omdat het niet gaat om ‘handelsondernemingen’.

Het Hof zegt dat een verschillende behandeling mag, maar het verschil op een objectief criterium moet berusten en redelijk verantwoord moet zijn. En dat is hier niet het geval. In zoverre de regeling zorgt voor een verschillende behandeling van de twee categorieën starters-bvba’s schendt zij de Grondwet, aldus het Grondwettelijk Hof.

Nog dit. Met het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen is de starters-bvba afgeschaft. Bestaande starters-bvba’s moeten hun vennootschap omvormen naar een andere vennootschapsvorm.

Bron: GwH 20 november 2019, nr. 6857
Bron: Wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen (art. 94,9°)
Ilse Vogelaere
  49