Spaardeposito’s: fiscale vrijstelling interesten afgestemd op arrest Europees Hof van Justitie (art. 170–174 DB)

De ‘wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen’ wijzigt de fiscale vrijstellingsregeling voor de eerste schijf van interesten van ‘Belgische’ gereglementeerde spaardeposito’s. Het Europees Hof van Justitie verklaarde deze vrijstellingsregeling strijdig met het vrije dienstenverkeer binnen de Europese Economische Ruimte (EER). Daarom breidt de wetgever de huidige regeling, die beperkt was tot ‘spaardeposito’s ontvangen door Belgische kredietinstellingen’, vanaf het aanslagjaar 2013(!) uit tot ‘spaardeposito’s ontvangen door kredietinstellingen die in een andere lidstaat van de EER gevestigd zijn’.

Uitbreiding tot EER

Na kritiek van het Europees Hof van Justitie (arrest van 6 juni 2013) wordt de huidige vrijstellingsregeling voor de eerste schijf van interesten van € 1.250 (niet-geïndexeerd bedrag) van ‘Belgische’ gereglementeerde spaardeposito’s vanaf het aanslagjaar 2013 uitgebreid tot spaardeposito’s gehouden door kredietinstellingen gevestigd in de EER. De uitbreiding geldt voor de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2012.

De voorwaarden waaraan de spaarboekjes die gehouden worden in andere EER-lidstaten moeten voldoen om voor de vrijstelling in aanmerking te komen, zijn analoog aan deze voor de Belgische gereglementeerde spaarboekjes.

Fiscale vrijstelling eerste schijf

Vanaf het aanslagjaar 2013 wordt de eerste schijf van € 1.250 (niet-geïndexeerd bedrag) per jaar van de inkomsten uit spaardeposito’s die zonder overeengekomen vaste termijn of opzeggingstermijn, zijn ontvangen door de in artikel 56, § 2, 2°, a van het WIB 1992 bedoelde kredietinstellingen, niet aangemerkt als roerend inkomen, op voorwaarde dat:

  • deze deposito’s voldoen aan de vereisten die de Koning stelt op advies van de Nationale Bank van België (NBB) en de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA), ieder wat zijn bevoegdheid betreft, wat de munt betreft waarin deze deposito’s luiden en de voorwaarden en wijze van terugneming en opneming, evenals wat de structuur, het niveau en de wijze van berekening van de vergoeding ervan betreft, of, voor de deposito’s die zijn ontvangen door kredietinstellingen die in een andere lidstaat van de EER zijn gevestigd, deze deposito’s aan analoge vereisten voldoen zoals vastgesteld door de gelijkwaardige bevoegde overheidsinstanties van de andere lidstaat;
  • de termijnen die slechts een waarborg zijn die de depositaris voor zich heeft bedongen niet worden beschouwd als opzeggingstermijnen;
  • wanneer de spaardeposito is uitgedrukt in een vreemde munt, de omvorming in euro een keer per jaar plaats vindt op 31 december of bij de definitieve vereffening van het deposito.
(art. 21, 5°, WIB 1992; art. 170 en art. 174, wet van 25 april 2014).

Kredietinstellingen

Kredietinstellingen bedoeld in artikel 56, § 2, 2°, a van het WIB 1992 zijn:

  • kredietinstellingen naar Belgisch recht die erkend zijn volgens de wet van 22 maart 1993 (‘Belgische’ kredietinstellingen);
  • kredietinstellingen die ressorteren onder een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die, overeenkomstig de wet van 22 maart 1993, gemachtigd zijn om hun activiteiten op Belgisch grondgebied uit te oefenen ofwel door de vestiging van een bijkantoor, ofwel in het kader van het vrij verrichten van diensten, en
  • andere kredietinstellingen die ressorteren onder een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die in die hoedanigheid erkend zijn in hun staat van oorsprong overeenkomstig de nationale bepalingen van die staat die de ‘Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen’, omzetten, en die niet actief zijn op Belgisch grondgebied.

Interesten

Indien de aan de bron vrijgestelde interesten van gereglementeerde spaarboekjes niet hoger zijn dan € 1.250 (geïndexeerde bedragen aj. 2013: € 1.830; aj. 2014: € 1.880; aj. 2015: € 1.900), worden ze dus niet aangemerkt als roerend inkomen en moet de belastingplichtige deze inkomsten ook niet vermelden in zijn aangifte in de personenbelasting.

Indien de grens van € 1.250 wel overschreden werd en de roerende voorheffing (RV) niet werd ingehouden, moet de belastingplichtige het gedeelte van de genoten interesten boven de € 1.250 wel in zijn PB-aangifte vermelden, met het oog op de belasting ervan tegen 15%. Dezelfde regel geldt voor interesten van gereglementeerde spaarboekjes die gehouden worden in een andere lidstaat van de EER, en die rechtstreeks in het buitenland geïnd zijn, zonder inhouding van Belgische RV.

Als het globaal bedrag van die interesten, opgeteld bij de met vrijstelling van bronheffing genoten interesten van Belgische oorsprong de grens van € 1.250 niet overschrijdt, hoeft de belastingplichtige niets te vermelden in zijn PB-aangifte.

Wanneer interesten (van Belgische oorsprong of van oorsprong uit een andere EER-lidstaat) afkomstig van gereglementeerde spaarboekjes toch om een of andere reden met inhouding van Belgische RV zijn uitbetaald, terwijl ze in aanmerking komen voor de hier bedoelde vrijstelling, dan kan die RV tot beloop van het bedrag dat teveel werd geheven, gerecupereerd worden door het gedeelte van die interesten in de PB-aangifte te vermelden.

Voor niet-inwoners, zoals bv. een Belgische gepensioneerde die zijn fiscale woonplaats definitief overgebracht heeft naar Spanje, maar in België een ‘gereglementeerd spaarboekje’ heeft dat aan de Belgische vrijstellingsvoorwaarden voldoet, verandert er niets. Hij heeft het statuut van niet-inwoner, maar hij kan aanspraak maken op de vrijstelling waarin de Belgische wetgeving voor interesten van een gereglementeerd spaarboekje voorziet.

Als deze niet-inwoner interesten van een Belgisch gereglementeerd spaarboekje verkrijgt, zal de vrijstelling – zoals voorheen – aan de bron kunnen worden toegepast, op voorwaarde dat de Belgische financiële instelling – ook weer zoals voorheen – over een attest beschikt waaruit blijkt dat de genieter een spaarder/niet-inwoner is en hij de kapitalen niet gebruikt voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België (art. 110, 4°, b en d en art. 117, § 6, KB/WIB 1992). Is een dergelijk attest niet tijdig voorhanden, dan kan de niet-inwoner de ingehouden RV – ook zoals voorheen – nog tot het passende beloop recupereren via de bezwaarprocedure. De uitbreiding van de vrijstelling tot interesten van gereglementeerde spaarboekjes die gehouden worden in andere EER-lidstaten, heeft voor niet-inwoners in principe geen gevolg. Enkel interesten behaald of verkregen in België zijn immers belastbaar in de belasting van niet-inwoners/natuurlijke personen.

In werking

De nieuwe regeling geldt voor inkomsten die worden toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2012.

Bron:Wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen, BS 7 mei 2014 – Hoofdstuk 5 (art. 170–174).
Zie ook:– Wetboek van de Inkomstenbelastingen (WIB 1992) – art. 21, 5°, art. 56, § 2, 2°, a, art. 171, art. 174/1, § 1, 4de lid en art. 269, 1ste lid– Koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, BS 13 september 1993 (KB/WIB 1992) – art. 2, art. 110, 4°, b en d en art. 117, § 6Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 juni 2013 (zaak C-383/10), “Niet-nakoming – Artikelen 56 VWEU en 63 VWEU – Artikelen 36 en 40 EER-Overeenkomst – Belastingwetgeving – Belastingvrijstelling die uitsluitend geldt voor door ingezeten banken betaalde interesten, met uitzondering van interesten betaald door in buitenland gevestigde banken”. – Wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, BS 19 april 1993.

Christine Van Geel

Wet houdende diverse bepalingen

Afkondigingsdatum : 25/04/2014
Publicatiedatum : 07/05/2014

Gepubliceerd op 13-05-2014

  232