Samenwerkingsakkoord zet richtlijn om in gezinsbijslagwetgeving

Richtlijn 2011/98 maakt het voor werknemers uit derde landen mogelijk om via één enkele procedure een verblijfs- en arbeidsvergunning te bekomen. Europa voorziet in duidelijke voorschriften voor onderdanen uit derde landen die legaal in de EU werken of mogen werken. Op die manier krijgen zij in de sociale zekerheid rechten die vergelijkbaar zijn met de rechten van EU-burgers.

Met een samenwerkingsakkoord wordt Richtlijn 2011/98 gedeeltelijk omgezet in de gezinsbijslagwetgeving. De Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie en de Duitstalige Gemeenschap zijn partij.

Het akkoord omvat wetswijzigingen. Logischerwijs gaat het om aanpassingen van de Algemene kinderbijslagwet (AKBW). Zo koppelt die wet het recht op kinderbijslag aan een voorwaarde van verblijf, namelijk: minstens 5 jaar werkelijk in België verblijven op de datum van de indiening van de aanvraag om kinderbijslag. Maar die voorwaarde van verblijf is niet van toepassing op de aanvrager die staatloze is. Of die bijvoorbeeld vluchteling is of die de subsidiaire beschermingsstatus geniet.

Nu wordt daar een extra categorie aan toegevoegd. Het gaat om de aanvrager die een werknemer uit een derde land is die is toegelaten met het oog op werk of die mag werken (zoals bedoeld in Richtlijn 2011/98), op voorwaarde dat:

  • hij in loondienst is of minstens gedurende 6 maanden in loondienst is geweest en als werkloos geregistreerd staat (verwijzing naar de beperkingen aan de gelijke behandeling); en
  • niet behoort tot een van de categorieën van onderdanen van derde landen ‘in de zin van artikel 12, punt 2, onder b), tweede lid, van de richtlijn’.

Die categorieën zijn:

  • de onderdanen van derde landen die toestemming hebben voor een periode van ten hoogste 6 maanden om op hun grondgebied te werken;
  • de onderdanen van derde landen die voor studiedoeleinden zijn toegelaten; en
  • de onderdanen van derde landen die mogen werken omdat ze een visum bezitten.

Parallel wordt dezelfde aanvulling doorgevoerd in de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag. Ook hier is immers sprake van een verblijfsvoorwaarde. De natuurlijke persoon moet werkelijk en ononderbroken verbleven hebben in België gedurende minstens de laatste 5 jaar die de indiening van de aanvraag om gewaarborgde gezinsbijslag voorafgaan. Van deze voorwaarde wordt dezelfde categorie – de werknemer uit een derde land, onder bepaalde voorwaarden - voortaan vrijgesteld.

Dit samenwerkingsakkoord heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2016 na goedkeuring door de respectievelijke bevoegde wetgevers.

Bron:Samenwerkingsakkoord van 17 juni 2016 tussen de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Duitstalige Gemeenschap houdende omzetting in de gezinsbijslagwetgeving van de Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven, BS 13 juli 2016

Steven Bellemans

Samenwerkingsakkoord tussen de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Duitstalige Gemeenschap houdende omzetting in de gezinsbijslagwetgeving van de Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven

Afkondigingsdatum : 17/06/2016
Publicatiedatum : 13/07/2016

Gepubliceerd op 14-07-2016

  169