Regels voor opstellen jaarrekening verzekerings- en herverzekeringsondernemingen geactualiseerd

Herverzekeringsondernemingen moeten voortaan hun jaarrekening opstellen en openbaar maken volgens specifieke voorschriften. Ook zij moeten nu de regels volgen van het ‘KB van 17 november 1994 over de jaarrekening van verzekeringsondernemingen’. Een KB van 9 oktober 2014 actualiseert dit KB van 1994 en maakt het van toepassing op de herverzekeringsondernemingen. Opgelet! De nieuwe voorschriften gelden al voor het boekjaar dat lopende is op 20 oktober 2014. Wij tekenden de hiernavolgende wijzigingen op.

Ook voor herverzekeringsondernemingen

Het KB van 9 oktober 2014 maakt de voorschriften van het ‘KB van 17 november 1994 op de jaarrekening van verzekeringsondernemingen’ ook van toepassing op de herverzekeringsondernemingen. En het zet artikel 4 van richtlijn 2003/51/EG om in Belgisch recht.

Het opschrift van het KB van 17 november 1994 luidt voortaan als volgt: “Koninklijk besluit van 17 november 1994 op de jaarrekening van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen”.

Dit KB is vanaf 20 oktober 2014 van toepassing op:

  • de verzekeringsondernemingen, in de zin van de controlewet verzekeringen, die naar Belgisch recht zijn opgericht of die ressorteren onder het recht van een staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte (EER);
  • de herverzekeringsondernemingen, in de zin van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, die naar Belgisch recht zijn opgericht of die ressorteren onder het recht van een staat die geen lid is van de EER.

Wanneer ondernemingen ressorteren onder een buitenlands recht, is het ‘KB van 17 november 1994 op de jaarrekening van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen’ enkel van toepassing op hun bijkantoren en centra van werkzaamheden die in België zijn gevestigd. Voor de toepassing van dit KB wordt het geheel van de bijkantoren en centra van werkzaamheden die in België zijn gevestigd, als één onderneming beschouwd.

Verwijzingen naar boekhoud- en vennootschapswetgeving

Het KB van 9 oktober 2014 stemt de bepalingen in het KB van 17 november 1994 die naar het gemeen boekhoudrecht verwijzen af op de (recente) wijzigingen die in dit recht werden aangebracht. Zo werden bv. de verwijzingen naar de ‘oude’ gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen vervangen door overeenkomstige verwijzingen naar het Wetboek van vennootschappen.

Prudentieel toezicht

Sinds 1 april 2011 oefent de Nationale Bank van België (NBB) het prudentieel toezicht uit op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen (‘Twin peaks’-besluit). Het KB van 9 oktober 2014 vervangt daarom de woorden “FSMA” door “Nationale Bank van België”.

Structuur van de jaarrekening

De balans en de resultatenrekening worden opgesteld volgens de schema's bedoeld door hoofdstuk I van de bijlage bij het KB van 17 november 1994.

De toelichting bevat de in hoofdstuk I, afdeling 3 van de bijlage bij het KB van 17 november 1994 bepaalde staten en gegevens.

De toelichting bevat eveneens de staten en gegevens bepaald in artikel 91, punt B. Sociale balans of in artikel 94, punt B. Sociale balans van het ‘KB van 30 januari 2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen (KB/W.Venn.), weergegeven volgens het schema van de sociale balans dat opgenomen is in het “Volledig model van jaarrekening” of in het “Verkort model van jaarrekening” dat de Nationale Bank van België opstelt met toepassing van artikel 174, § 2, van het KB/W.Venn.

Artikel 82, § 2 van het KB/W.Venn. is van overeenkomstige toepassing voor het gebruik van het volledige of verkorte schema van de balans.

Zij worden in euro, zonder decimalen uitgedrukt en maken hiervan uitdrukkelijk melding.

Waarderingsregels

Arbitrageverrichtingen Artikel 27bis, § 4 van het KB van 17 november 1994 laat toe dat de resultaten van een zgn. ‘arbitrageverrichting’ in de tijd worden gespreid. Hiermee mogen de ondernemingen afwijken van de regel dat de resultaten van de overdracht van beleggingseffecten onmiddellijk moeten worden geboekt.

Deze uitzondering is gerechtvaardigd omdat de effecten die ter vervanging van de overgedragen effecten zijn verworven, in zekere zin de voortzetting vormen van deze overgedragen effecten en dat het verwezenlijken van een resultaat in dit geval bijkomstig is, aangezien er tegen geamortiseerde kostprijs wordt geboekt, zowel voor het overgedragen effect als voor het verworven effect. De verbetering die als gevolg van de arbitrageverrichting wordt verwacht, situeert zich vooral op het vlak van het rendement, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de continuïteit van het overgedragen effect, dan op dat van het financieel beheer en onderscheidt zich op boekhoudkundig vlak van de verrichtingen die voortvloeien uit een verandering van het beleggingsbeleid of uit een wijziging van het (krediet-, rente- of ander) risico dat verbonden is aan de overgedragen en verworven effecten. Het KB van 9 oktober 2014 meldt dat voortaan onder ‘abitrageverrichting’ moet worden verstaan: “elke gecombineerde aan- en verkoop van vastrentende beleggingseffecten binnen een relatief korte tijdsspanne die een wezenlijke verbetering van het rendement van de vastrentende beleggingseffecten tot gevolg heeft”. De toekomstige inkomsten van de verworven effecten mogen dus niet worden aangewend om het eventueel verlies op het overgedragen effect te compenseren. De wezenlijke verbetering moet beoordeeld worden op basis van de feitelijke omstandigheden, rekening houdend met de voormelde optiek van continuïteit (dus bij ongewijzigd risico). Het is dus ondenkbaar dat artikel 27bis, § 4 wordt toegepast op verrichtingen die erin bestaan een effect met een laag rendement en een laag risico te vervangen door een effect met een hoger rendement, maar ook met een hoger risico.

Vastrentende effecten en vorderingen Op de vastrentende effecten vermeld in post C.II.2. en op de vorderingen vermeld in de posten C.III.4, 5 en 7, evenals in post E. van het actief, worden systematisch waardeverminderingen toegepast om overeenkomstig de principes van artikel 19, eerste lid, rekening te houden met het risico dat de tegenpartijen van die effecten en vorderingen hun verplichtingen niet of niet volledig nakomen, waaronder begrepen, maar niet beperkt tot, de kans dat de terugbetaling van die effecten en vorderingen geheel of gedeeltelijk onzeker of in gevaar is. Wanneer de marktwaarde van die effecten en vorderingen duurzaam lager ligt dan de nettoboekwaarde ervan, wordt dit behoudens bewijs van het tegendeel beschouwd als een duurzaam waardeverlies waarmee rekening moet worden gehouden voor de toepassing van deze bepaling. De criteria die in aanmerking worden genomen voor de toepassing van deze bepaling zijn vermeld in staat nr. 20 die in de bijlage bij het KB van 17 november 1994 is opgenomen.

Toelichting: Nieuwe Staat nr. 3bis

Aan de toelichting bij de jaarrekening wordt een nieuwe Staat nr. 3bis toegevoegd met als titel ‘Afgeleide financiële instrumenten die niet gewaardeerd worden op basis van de reële waarde’.

Voor het opstellen van staat nr. 3bis:

  • dient te worden verstaan onder reële waarde, de waarde vastgesteld onder verwijzing naar:
    • een marktwaarde, voor de financiële instrumenten waarvoor makkelijk een betrouwbare markt kan worden aangewezen. Wanneer voor een gegeven instrument niet makkelijk een marktwaarde kan worden bepaald, maar dit wel kan voor de samenstellende elementen ervan of voor een gelijkaardig instrument, kan de marktwaarde berekend worden op basis van die van de bestanddelen ervan of die van het gelijkaardige instrument, of;
    • een waarde berekend met behulp van modellen en algemeen aanvaarde waarderingstechnieken, voor de instrumenten waarvoor niet makkelijk een betrouwbare markt kan worden aangewezen. Deze waarderingsmodellen en -technieken dienen een redelijke benadering van de marktwaarde op te leveren;
  • de grondstoffencontracten die elk van de partijen mag afwikkelen in contanten of in enig ander financieel instrument, worden als afgeleide financiële instrumenten beschouwd, tenzij:
    • de contracten gesloten werden en gehandhaafd worden om te voldoen aan de verwachte behoeften van de vennootschap inzake inkoop, verkoop of gebruik van de grondstof;
    • zij van in het begin voor dat doeleinde werden gesloten, en;
    • de afwikkeling zal geschieden door levering van de grondstof;
  • onder “nettoboekwaarde” wordt de waarde verstaan waarvoor het afgeleide instrument wordt opgenomen in de balans. Wanneer het instrument niet wordt opgenomen in de balans, is deze waarde nihil.

In werking

Het KB van 9 oktober 2014 treedt in werking op 20 oktober 2014. Het is van toepassing op het boekjaar dat lopende is op 20 oktober 2014.

Artikel 7 van het KB van 9 oktober 2014 (wijziging definitie arbitrageverrichting) is echter niet van toepassing op de verrichtingen die vóór 20 oktober 2014 zijn aangegaan.

Bron:Koninklijk besluit van 9 oktober 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 17 november 1994 betreffende de jaarrekening van verzekeringsondernemingen, BS 20 oktober 2014.
Zie ook: – Wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, BS 29 juli 1975. – Koninklijk besluit van 17 november 1994 betreffende de jaarrekening van verzekeringsondernemingen, BS 21 december 1994. – Wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, BS 16 maart 2009. – Koninklijk besluit van 3 maart 2011 betreffende de evolutie van de toezichtsarchitectuur voor de financiële sector, BS 9 maart 2011 (Twin peaks-besluit). – Richtlijn 2003/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2003 tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG, 83/349/EEG, 86/635/EEG en 91/674/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, banken en andere financiële instellingen, en verzekeringsondernemingen, Pb.L. 17 juli 2003, afl. 178, p. 16.

Christine Van Geel

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 17 november 1994 betreffende de jaarrekening van verzekeringsondernemingen

Afkondigingsdatum : 09/10/2014
Publicatiedatum : 20/10/2014

Gepubliceerd op 21-10-2014

  112