Rechtzetting niet in te halen overurenkrediet in horecasector (art. 25 tot 27 PW II)

Een programmawet die hoofdzakelijk focust op fiscale maatregelen omvat één enkele sociale maatregel die de horeca betreft. De maatregel gaat meer bepaald over het overurenkrediet dat in de sector op verzoek van de werknemer niet ingehaald moet worden. Dit aanvankelijk krediet wordt teruggebracht tot 91 uren (en niet tot 143 uren), waardoor automatisch van 91 naar 300 of 360 overuren kan worden overgestapt zonder dat een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst hoeft te worden gesloten.

Verkeerde interpretatie

De algemene basisreglementering die is opgenomen in de wet van 16 maart 1971 voorziet in verplichte inhaalrust zodra de werknemer in een referentieperiode een bepaald aantal overuren werkt. Voor een kalenderjaar is het maximum vastgesteld op 91 overuren, onder bepaalde voorwaarden. De werknemer kan ervoor kiezen om te worden betaald in plaats van inhaalrust op te nemen. Dat noemt men niet in te halen overuren.

Dat maximum van 91 uren kan door middel van een sectoraal akkoord worden opgetrokken. Dat is gebeurd in de horeca, waar het maximum van 91 uren vanaf 1 juli 2014 werd opgetrokken tot 143 uren (CAO die afliep op 31 december 2015). Om het zwartwerk in die sector beter te bestrijden, trok een wet van 16 november 2015 vanaf 1 januari 2016 de toegestane grens van 143 overuren die niet ingehaald moeten worden op tot 300 uren voor werkgevers die niet over een geregistreerd kassasysteem beschikken, en tot 360 uren voor werkgevers met een dergelijk systeem. Maar als die bepaling op die manier wordt geformuleerd, gaat men ervan uit dat voor de overstap naar 300 of 360 uren is vereist dat een collectieve arbeidsovereenkomst wordt gesloten en dus dezelfde procedure wordt gevolgd als deze op basis waarvan naar 143 uren werd overgeschakeld.

Volgens de parlementaire voorbereiding was dat echter niet de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever. Door de nieuwe formulering kan voortaan automatisch worden overgestapt van de grens van 91 overuren (en niet langer 143) over een periode van een jaar naar 300 of 360 uren (bij gebruik van een geregistreerd kassasysteem), en wordt zo vermeden dat een nieuw sectoraal akkoord moet worden gesloten.

Deze maatregelen gelden voor voltijds tewerkgestelde werknemers en werkgevers uit de sector van het hotelbedrijf (paritair comité (PC) nr. 302) die deze werknemers tewerkstellen. Ze zijn ook van toepassing op de uitzendsector (PC nr. 322) als de werkgever die de uitzendkracht gebruikt onder de horecasector ressorteert. En het loon voor die overuren is vrijgesteld van sociale bijdragen en van belasting.

De Minister van Werk herinnert er terloops aan dat overuren alleen zijn gerechtvaardigd bij een buitengewone vermeerdering van het werk of een onvoorziene noodzakelijkheid.

Toepassing met terugwerkende kracht

Deze juridische aanpassing treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2016, d.i. het tijdstip waarop de mogelijkheid is ontstaan om het krediet aan toegestane niet in te halen overuren tot 300 of 360 uren te verhogen in de horecasector. Op die manier wil de wetgever werkgevers en werknemers die het krediet van 91 sociaal en fiscaal voordelige overuren al zouden hebben overschreden niet benadelen. Aangezien het toegestane krediet op basis van een kalenderjaar wordt berekend, heeft de retroactieve inwerkingtreding geen gevolgen.

Bron:Programmawet (II) van 3 augustus 2016, BS 16 augustus 2016.
Zie ook: Wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken, BS 26 november 2015. Arbeidswet van 16 maart 1971, BS 30 maart 1971. (art. 26bis, §2bis)

Béatrice Morais

Programmawet (II)

Afkondigingsdatum : 03/08/2016
Publicatiedatum : 16/08/2016

Gepubliceerd op 25-08-2016

  72