Rechter moet rekening houden met belang van kind bij verzet van biologische vader tegen afstammingsvordering van moeder

Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan

Wanneer de moeder van een kind tegen de biologische vader een vordering instelt tot gerechtelijke vaststelling van zijn vaderschap en de man zich hiertegen verzet, moet de rechtbank in haar beslissing rekening houden met het belang van het kind. Dat heeft het Grondwettelijk Hof gezegd in antwoord op een prejudiciële vraag.

Wanneer de biologische vader van een kind een vordering tot gerechtelijke vaststelling van zijn vaderschap instelt en de moeder, het kind of het openbaar ministerie zich hiertegen verzet, moet de rechter de vordering afwijzen als de vaststelling van de afstamming strijdig is met het belang van het kind. Dat staat in artikel 332quinquies van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank wordt daarentegen niet gemachtigd, noch verplicht om met het belang van het kind rekening te houden als de moeder van het kind een vordering tot gerechtelijke vaststelling van de afstamming van de biologische vader instelt, en die vader zich hiertegen verzet. Een toetsing van de vordering aan het belang van het kind is in een dergelijk geval dus niet voorzien.

Het Grondwettelijk Hof zegt dat het meestal wel in het belang is van het kind dat zijn afstamming aan beide zijden vaststaat. Maar dat er toch gevallen zijn waarin de gerechtelijke vaststelling van de vaderlijke afstamming nadelig kan zijn voor het kind. Hoewel het onderscheid dat de wetgever maakt al naargelang de persoon die zich verzet tegen de gerechtelijke vaststelling objectief is, is dit niet pertinent. Men kan er immers niet van uitgaan dat het altijd in het belang is van het kind om een dubbele afstamming vast te stellen als de moeder de vordering instelt en de vader zich hiertegen verzet, noch dat het belang van de moeder altijd samenvalt met het belang van het kind.

Als men artikel 332quinquies van het Burgerlijk Wetboek dan ook zodanig interpreteert dat de rechter geen rekening mag houden met het belang van het kind bij een vordering van de moeder waartegen de biologische vader zich verzet, schendt dit artikel dan ook artikel 22bis van de Grondwet schendt. Artikel 22bis verplicht immers om het belang van het kind in aanmerking te nemen in procedures die betrekking hebben op het kind.

Bron: GwH 28 november 2019, nr. 190/2019
Bron: Burgerlijk Wetboek (art. 332quinquies)
Ilse Vogelaere
  297