Procedureversnelling bij Raad voor Vergunningsbetwistingen en Handhavingscollege (art. 6-7, 10-16 bestuursrechtscolleges)

Met een decreet van 9 december 2016 voert de Vlaamse overheid naar eigen zeggen verschillende maatregelen in om de werking van de 3 Vlaamse bestuursrechtscolleges die ondersteund worden door de Dienst van de Bestuursrechtscolleges (DBRC), ‘te optimaliseren’. In werkelijkheid focust het decreet op de Raad voor Vergunningsbetwistingen, komt het Milieuhandhavingscollege in beperkte mate aan bod, en is er van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen geen sprake…

Geen procedure zonder belang

Een partij die een middel aanvoert voor een bestuursrechtscollege moet belang hebben bij de vernietiging van die rechtsregel. Het wijzigingsdecreet schrijft die algemene regel in het DBRC-decreet in, en formuleert het zo: ‘Een onwettigheid geeft alleen aanleiding tot een vernietiging, als de partij die ze aanvoert, wordt benadeeld door de ingeroepen onwettigheid’.

Zo heeft een partij die de schending inroept van bepaalde regels in verband met de bekendmaking van het openbaar onderzoek, geen belang bij die onregelmatigheid als blijkt dat zij tijdens dat openbaar onderzoek bezwaar heeft ingediend en zij dus wel degelijk wist dat er een openbaar onderzoek plaats vond...

De regel op de belangenschade geldt vanaf nu zowel voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen, als voor het (Milieu-)Handhavingscollege.

Deze aanvulling doet overigens geen afbreuk aan de algemene rechtsregel dat de verzoekende partij géén belang moet aantonen bij de schending van een regel die de openbare orde aanbelangt; bijvoorbeeld wanneer de overheid die de bestreden handeling stelde, daarvoor niet bevoegd was.

Meer gefundeerde uitspraak

Als een Vlaams bestuursrechtscollege oordeelt dat een beroep gegrond is, vernietigt het de bestreden beslissing. Het wijzigingsdecreet voegt daar nu expliciet aan toe dat het bestuursrechtscollege alle aangevoerde middelen beslecht die voor het bestuur nuttig kunnen zijn bij een nieuwe beslissing of handeling. Een min of meer vergelijkbare bepaling bestaat ook bij de Raad van State.

Tot nu was het zo dat een bestuursrechtscollege zich boog over het eerste aangevoerde middel, en als dat ongegrond werd verklaard, bogen de rechters zich over het tweede middel in dezelfde zaak, en zo verder tot een middel gegrond werd bevonden. Leidde dat tot een integrale vernietiging, dan werden de overige middelen niet verder onderzocht omdat er nu eenmaal niet méér vernietigd kan worden dan de volledige bestreden beslissing.

Vanaf nu gooien de rechters het roer om. Zij krijgen de gelegenheid om hun vernietigingsarrest beter te motiveren door meer middelen te beantwoorden. Zo wordt vermeden dat de partijen die in het ongelijk werden gesteld, opnieuw een verzoek tot vernietiging indienen op grond van een middel dat nog niet beoordeeld werd.

De mogelijkheid om meer middelen te beoordelen, komt toe aan de bestuursrechters van de Raad voor Vergunningsbetwistingen en van het (Milieu-)Handhavingscollege. Deze aanvulling doet geen afbreuk aan het recht van het bestuursrechtscollege om ambtshalve middelen op te werpen.

Instructies

Na een gehele of gedeeltelijke vernietiging kan een bestuursrechtscollege de verwerende partij de opdracht geven om een nieuwe beslissing te vellen of een andere handeling te stellen en daarbij rekening te houden met de overwegingen uit de uitspraak. Het college kan daarbij bepaalde voorwaarden opleggen. Het kan de verwerende partij verplichten om rekening te houden met specifieke rechtsregels of rechtsbeginselen wanneer ze een nieuwe beslissing neemt. En het kan die partij dwingen om bepaalde procedurestappen te respecteren vooraleer ze tot een beslissing komt.

Het decreet van 9 december 2016 voegt daar nog toe dat het bestuursrechtscollege ook kan bepalen dat sommige onregelmatige motieven of kennelijk onredelijke motieven niet meer mogen meespelen bij het tot stand komen van een nieuwe beslissing.

Bovendien kan het college een termijn (van orde) opleggen waarbinnen haar instructies uitgevoerd moeten worden. Eventueel in combinatie met een dwangsom. De termijn wordt geschorst wanneer één van de partijen cassatie aantekent bij de Raad van State.

Het huidige systeem van curatieve dwangsommen wordt bovendien vervangen door een systeem van preventieve dwangsommen, die onmiddellijk bevolen worden in het vernietigingsarrest. Momenteel moeten de partijen een nieuw verzoekschrift indienen om een dwangsom te laten opleggen. Het nieuwe regime vermijdt die bijkomende procedure.

Al deze wijzigingen richten zich zowel tot de RvVb, als tot het (M)HHC.

Maar alleen de Raad voor Vergunningsbetwistingen kan zijn arrest onder bepaalde voorwaarden in de plaats stellen van de nieuw te nemen beslissing. Meer bepaald wanneer de vergunningverlenende overheid over geen enkele beleidsvrijheid of appreciatiemarge meer beschikt voor haar nieuwe beslissing. Bv. wanneer de vergunningverlener een vergunning verleende en de RvVb vast stelde dat hij daar helemaal niet toe bevoegd was. De vergunningverlener kan in een nieuwe beslissing de vergunning dan enkel nog weigeren. ‘Omwille van de efficiëntie is het in dat geval beter dat de Raad zich in de plaats stelt van het betrokken vergunningverlenende bestuursorgaan en op die manier een definitief einde stelt aan het betrokken rechtsgeschil’, aldus de toelichting bij het ontwerp van decreet (Parl.st., p. 11).

Hoogdringendheid versus uiterst dringende noodzakelijkheid

Het decreet van 9 december 2016 herformuleert de regels op de schorsingsvordering bij de RvVb, zodat het duidelijker wordt wanneer er een verzoek tot schorsing kan worden ingesteld omwille van hoogdringendheid, en wanneer de UDN-procedure – de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid – kan worden toegepast.

Bij een ‘gewone’ schorsingsvordering moet de partij die het verzoek tot schorsing indient, aantonen dat de zaak hoogdringend is, zodat de behandeling ervan onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een vordering tot vernietiging. En zij moet minstens één ernstig middel aanvoeren dat de vernietiging van de bestreden beslissing op het eerste gezicht verantwoordt.

Bij een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid moet de verzoekende partij aantonen dat de zaak uiterst dringend noodzakelijk is, zodat de behandeling ervan zelfs onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een vordering tot schorsing. En zij moet eveneens minstens één ernstig middel aanvoeren dat de vernietiging van de bestreden beslissing op het eerste gezicht verantwoordt.

Verzoek tot tussenkomst

Elke belanghebbende partij mag tussenkomen in een procedure bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. De Vlaamse regering mag de termijn vastleggen waarbinnen de tussenkomende partij haar verzoekschrift tot tussenkomst moet indienen. Die termijn moet echter minstens 20 dagen bedragen, staat er in het decreet op de Vlaamse bestuursrechtscolleges.

Het wijzigingsdecreet nuanceert dit. Gezien de ‘uiterste hoogdringendheid’ mag de vervaltermijn voortaan minder dan 20 dagen bedragen bij een verzoek tot tussenkomst in een procedure van schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.

Meer bemiddelaars

Wanneer een dossier aanhangig is voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen kunnen de partijen nog altijd een bemiddelingspoging wagen. De Vlaamse overheid wil dit faciliteren en bepaalt nu dat niet alleen de bestuursrechters, griffiers en referendarissen, maar álle personeelsleden van de DBRC als bemiddelaar kunnen fungeren. Dus ook de coördinatiejuristen en de griffiemedewerkers. Uiteraard op voorwaarde dat de DBRC-bemiddelaar voldoet aan de vereisten van kennis, nuttige ervaring, vorming in de bemiddelingspraktijk, enz., die in het DBRC-decreet worden opgelegd.

Daarnaast kunnen ook nog altijd derden – externe bemiddelaars – aangewezen worden.

Bemiddelingskosten

De Vlaamse overheid schuift de bemiddelingskosten door naar de partijen. Ook de interne bemiddelingskosten via de DBRC-leden. Als het bemiddelingsakkoord wordt bekrachtigd, worden de bemiddelingskosten voortaan gelijkelijk verdeeld over alle partijen, tenzij daarover andere afspraken zijn gemaakt in het bemiddelingsakkoord zelf.

Rolrecht

Wie een verzoekschrift tot vernietiging van een beslissing indient bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen betaalt momenteel een rolrecht van 175 euro. Voor een verzoekschrift tot schorsing, of schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid, bedraagt het rolrecht 100 euro.Een tussenkomende partij betaalt altijd 100 euro rolrecht. Om het even of er tussengekomen wordt in een vernietigings- of een schorsingsprocedure.

Het DBRC-decreet voorziet dat die bedragen om de 5 jaar aangepast worden aan de ABEX-index en dat ze een eerste keer geïndexeerd zullen worden op 1 januari 2019.

Het wijzigingsdecreet schrapt echter de indexeringsformule en voert dus vaste bedragen in. Bovendien trekt ze het bedrag van het rolrecht bij een vernietigingsverzoek op. Voortaan betaalt u een rolrecht van:

Verzoek tot vernietiging 200 euro
Verzoek tot schorsing Verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid 100 euro
Verzoek tot tussenkomst 100 euro

De griffier brengt de verzoekende en tussenkomende partijen schriftelijk op de hoogte van het verschuldigde rolrecht of van de vrijstelling van rolrecht wegens ontoereikende inkomsten. Het decreet zegt hier niet expliciet dat dit ‘per beveiligde zending’ moet gebeuren.

In zijn geschrift moet de griffier wel expliciet vermelden wat de sanctie zal zijn als het rolrecht niet binnen de termijn van 15 dagen betaald wordt. Zo kan een tussenkomende partij die niet tijdig betaald heeft, geen voortzetting van de rechtspleging meer vragen. Een niet-tijdige betaling kan niet geregulariseerd worden.

Het wijzigingsdecreet voert wel een aparte procedure in voor een verzoek tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid. Daar wordt het rolrecht opgevraagd in de beschikking of in het arrest tot bepaling van de rechtsdag. Het verschuldigde bedrag moet binnen de 8 dagen betaald worden en het bewijs van storting of overschrijving moet voorgelegd worden op de zitting waar de UDN-vordering wordt behandeld. Als er niet tijdig betaald wordt, worden de schorsing en de voorlopige maatregelen die eventueel werden uitgevaardigd, opgeheven.

Het decreet voert overigens ook een rolrecht in voor wie een verzoek tot vernietiging indient bij het Milieuhandhavingscollege.

Rechtsplegingsvergoeding

Nieuw is dat de RvVb-rechter vanaf nu een rechtsplegingsvergoeding kan toekennen aan de partij die uiteindelijk in het gelijk wordt gesteld. Op verzoek. Een rechtsplegingsvergoeding is een (gedeeltelijke) tussenkomst in de kosten en honoraria van de advocaat.

De vergoeding is nog niet voor meteen, want de Vlaamse regering moet in een uitvoeringsbesluit nog de basisbedragen én het minimum- en maximumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding vastleggen.

De Raad voor vergunningsbetwistingen zal op eigen initiatief en na motivatie het basisbedrag mogen verhogen of verlagen, maar hij zal nooit ónder het minimum, of bóven het maximum dat de Vlaamse regering heeft vastgelegd, mogen gaan.

De decreetgever legt ook criteria op voor het bepalen van de hoogte van het bedrag. Zo zal de rechter rekening moeten houden met:

  • de financiële draagkracht van de partij die in het ongelijk werd gesteld en die dus zal moeten betalen;
  • de complexiteit van het dossier; en
  • de kennelijk onredelijke aard van de situatie.

Als de partij die moet betalen, juridische tweedelijnsbijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding automatisch vastgelegd op het minimumbedrag. Behalve bij kennelijke onredelijkheid, maar dat moet dan wel ‘met bijzondere redenen’ gemotiveerd worden.

En als er een rechtsplegingsvergoeding moet worden betaald aan meer dan één in het gelijk gestelde partij, kan het uiteindelijk te betalen bedrag niet hoger zijn dan het dubbele van het maximum waarop de partij met het recht op de hoogste vergoeding aanspraak kan maken. De Raad beslist hoe dat bedrag verdeeld zal worden over alle rechthebbenden.

Tussenkomende partijen hebben nooit recht op een rechtsplegingsvergoeding, maar kunnen ook nooit veroordeeld worden om een rechtsplegingsvergoeding te betalen.

Als de partijen een bemiddelingsakkoord konden sluiten en dat akkoord wordt bekrachtigd door de rechtbank, is er ook geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd. Het zou immers indruisen tegen de aard van een bemiddeling om één van de partijen te bestempelen als diegene die ongelijk had, lezen we in de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet (Parl.St., p. 6). In plaats daarvan wordt er geopteerd voor een gelijke spreiding van de kosten over alle partijen. Het bemiddelingsakkoord zelf kan natuurlijk een andere verdeling opleggen. Het regime van de rechtsplegingsvergoeding bestaat ook bij de Raad van State.

Kosten

De 3 bestuursrechtscolleges die onder het DBRC-decreet vallen, leggen in hun arrest een deel of alle kosten bij de partij die ten gronde in het ongelijk werd gesteld. Al zijn er uitzonderingen mogelijk. De kosten bestaan uit het getuigengeld, de kosten en erelonen voor een deskundigenonderzoek en de kosten voor bekendmaking van het arrest.

Bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen komt daar ook nog eens het rolrecht bij. En binnenkort ook het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding en de bemiddelingsvergoeding.

Opnieuw procedurebreuk

Hoewel de bestuursrechters van de Raad voor Vergunningsbetwistingen en van het Milieuhandhavingscollege daar sterk op aangedrongen hebben, treden de nieuwe procedureregels niet in werking op 1 september 2017, bij de start van het nieuwe werkingsjaar. Beide colleges worden dus weer geconfronteerd met beroepen – die naargelang de datum van indiening – aan andere procedureregels onderworpen zullen zijn.

Op beroepen die werden ingediend vóór de datum van inwerkingtreding van het nieuwe proceduredecreet, zijn doorgaans de oude procedureregels van toepassing.

Maar op de vernietigingsarresten die worden uitgesproken vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet, zijn al meteen de nieuwe regels inzake instructies en dwangsommen van toepassing.

Bepalingen over het DBRC-personeel, over de pensionering van de bestuursrechters en over de invoering van een rolrecht bij het Milieuhandhavingscollege gelden dan weer vanaf de datum die nog door de Vlaamse regering zal worden bepaald, en uiterlijk op 24 april.

Van toepassing:

  • Vlaams Gewest.
  • In werking op 24 april 2017 ten laatste. Dat is: ‘op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum en uiterlijk drie maanden na de publicatie van dit decreet in het Belgisch Staatsblad’.
  • Overgangsregeling.
  • Wordt verwacht: uitvoeringsbesluit.

Bron:Decreet van 9 december 2016 houdende wijziging van diverse decreten, wat de optimalisatie van de organisatie en de rechtspleging van de Vlaamse bestuursrechtscolleges betreft, BS 24 januari 2017 (art. 6-7, 10-16 en 22-23 bestuursrechtscolleges).
Zie ook:
  • Decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, BS 1 oktober 2014 (DBRC-decreet).

Carine Govaert

Decreet houdende wijziging van diverse decreten, wat de optimalisatie van de organisatie en de rechtspleging van de Vlaamse bestuursrechtcolleges betreft

Afkondigingsdatum : 09/12/2016
Publicatiedatum : 24/01/2017

Gepubliceerd op 30-01-2017

  215