Private bewakingssector: Grondwettelijk Hof vernietigt verbod op fiscale of sociale schulden

Sinds 2 februari 2014 krijgen private bewakingsondernemingen met fiscale of sociale schulden geen vergunning meer. Hun vergunning mag ook niet meer vernieuwd worden. Bovendien mogen ook bestuurders, zaakvoerders, lasthebbers, personen die bevoegd zijn om de onderneming te verbinden of controles uit te voeren bij de onderneming geen schulden hebben. Ze mogen ook de voorbije 3 jaar niet verwikkeld zijn geweest in een faillissement. Het zijn allemaal maatregelen die door de wetgever zijn ingevoerd om fraude en schijnzelfstandigheid uit de sector te weren. Het Grondwettelijk Hof ziet ook geen graten in de vereisten. En toch heeft het de betrokken bepalingen uit de Wet op de Private Veiligheid vernietigd. Het feit dat de tekst van de wet noch het bedrag van de schulden, noch de oorsprong ervan vermeldt of het bestaan van een aanzuiveringsregeling in overweging neemt, zorgt voor een onevenredige behandeling van de betrokken ondernemingen, instellingen en personen, klinkt het.

De minister heeft tijdens de parlementaire voorbereiding wel gepreciseerd dat ‘iemand met een beperkte schuld niet meteen een risico zal lopen om geen erkenning of vergunning te krijgen’ en dat ook ‘ondernemingen die een afbetalingsplan naleven nog steeds een attest zullen ontvangen’. Ook werden een minimumbedrag aan schulden en een aanzuiveringsregeling naar voor geschoven in het voorontwerp. Maar na advies van de Raad van State werden deze aantekeningen niet weerhouden in de wet. De wetgever koos daarom voor een tussenoplossing: bij controle op fiscale en sociale schulden moet rekening worden gehouden met de concrete situatie van de onderneming én met de wil die tijdens de parlementaire voorbereiding is geuit om de maatregel niet toe te passen op personen van wie de schuld beperkt is of die een aanzuiveringsregeling naleven.

Maar dit volstaat volgens het hof niet in kader van het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid onder de economische, sociale en culturele attesten: ‘de wetgever kan de administratieve overheden niet machtigen om beslissingen te nemen die in strijd zijn met de duidelijke tekst van de wet, terwijl die beslissingen ernstige gevolgen hebben voor de mogelijkheid voor de rechtspersonen of natuurlijke personen om een juli economische activiteit uit te oefenen’.

De zaak werd op 18 juli 2014 voor het Hof gebracht door 2 ondernemingen die actief zijn in de bewakingssector. Zij vroegen de vernietiging van zowel artikel 4 als 5 van de wet van 13 januari 2014 tot wijziging van de Wet op de Private Veiligheid. Het Hof gaat met haar arrest van 24 september 2015 voor een groot stuk in op hun verzoek, al is de vernietiging beperkt tot (het verbod op sociale en fiscale schulden en om de voorbije 3 jaar betrokken te zijn geweest bij een faillissement)

  • wat betreft artikel 4 – voor zover het in artikel 4bis §1 van de Wet Private veiligheid een 5e en 7e lid,4) invoegt; en
  • wat betreft artikel 5 – voor zover het in de Wet private Veiligheid een artikel 4quater, §1, 62,3° en §4 invoegt.

Bron:GwH, 24 september 2015, nr. 125/2015.
Zie ook — Wet van 13 januari 2014 tot wijziging van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, BS 23 januari 2014. — Wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, BS 29 mei 1990. (Wet op de Private Veiligheid, art. 4bis §1, 5e en 7e lid en artikel 4quater 61, §2,3° en 4§)

Laure Lemmens

Wet tot wijziging van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid

Afkondigingsdatum : 13/01/2014
Publicatiedatum : 23/01/2014

Gepubliceerd op 29-09-2015

  61