Private bewakingsonderneming niet betrekken in fase vóór administratieve geldboete werknemer schendt Grondwet niet

Private bewakingsondernemingen moeten niet betrokken worden in de procedure die voorafgaat aan het opleggen van een administratieve geldboete aan een werknemer die de regels van de Wet Private Veiligheid overtrad. De Directie Private Veiligheid is ook niet verplicht hen op de hoogte te brengen van het voorstel tot minnelijke schikking en de weigering ervan. De procedure zoals ze vandaag bestaat, schendt de Grondwet niet. Dat blijkt uit een antwoord van het Grondwettelijk Hof op een prejudiciële vraag.

De zaak werd aangekaart door 2 private bewakingsondernemingen die geen weet hadden van het voorstel tot minnelijke schikking die één van hun werknemers had gekregen wegens een inbreuk op de Wet Private Veiligheid. Zij kregen het dossier pas te zien wanneer er al een administratieve geldboete was opgelegd en ze verplicht werden om de boete te betalen. Zonder mogelijkheid om verweermiddelen aan te voeren in de fase vóór de boetebeslissing.

Toch volgt het Grondwettelijk Hof hun redenering niet. Het Hof erkent wel het feit dat wanneer een overtreder een minnelijke schikking niet betaald, de werkgever verplicht is om de administratieve boete die aan zijn werkgever wordt opgelegd, te betalen zonder dat hij noodzakelijk in kennis is gesteld van de procedure die voorafgaat aan het opleggen van de geldboete. Terwijl de overtreder in deze fase wel argumenten kan aanvoeren. Maar dat verschil in behandeling tussen de overtreder en de burgerrechtelijk aansprakelijke persoon is redelijk verantwoord zegt het Hof.

De burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor andermans daad vormt in de eerste plaats een bijkomende waarborg voor de Staat dat de boete wordt betaald. Bovendien draagt het bij tot het afschrikkend effect van de geldboeten door de werkgever aan te sporen zijn werknemers strikt te controleren en na te gaan of ze zich wel degelijk aan de wetgeving houden. De werkgever is alleen burgerlijk aansprakelijk voor het betalen van de boete en niet voor het bedrag dat aan de overtreder is voorgesteld in het kader van een minnelijke schikking. De werkgever vormt dus de tweede schuldenaar. Er is dan ook geen reden voor de administratie om hem te betrekken in de procedure die voorafgaat aan het opleggen van de geldboete.

Bovendien kan de werkgever beroep aantekenen tegen de beslissing die de administratieve geldboete oplegt. Hij krijgt op dat moment de mogelijkheid om verweermiddelen en eventuele verzachtende omstandigheden in het voordeel van de overtreder aan te voeren. Door het bestaan van die beroepsmogelijkheid met volle rechtsmacht vormt het ontbreken van de mogelijkheid voor de burgerrechtelijke aansprakelijke om zijn standpunt te doen gelden tijdens de administratieve fase voorafgaand aan het opleggen van de boete aan zijn werknemer, geen schending van het recht op de verdediging.

Private bewakingsondernemingen moeten dus ook in de toekomst niet betrokken worden in deze voorafgaande procedure. Werknemers die bij een overtreding een voorstel tot minnelijke schikking krijgen, zijn ook niet verplicht dit aan hun werkgever te melden. Noch wanneer ze die minnelijke schikking weigeren en de procedure tot het opleggen van een administratieve geldboete wordt opgestart. Al stelt het Grondwettelijk Hof in zijn arrest wel dat van de werkgevers wordt geacht iemand in dienst te nemen die ze vertrouwen en van wie ze kunnen aannemen dat ze hen wel inlichten over een eventuele minnelijke schikking zodat ze samen kunnen bepalen welk standpunt het meest gepast is in een volgende fase.

Bron:GwH 28 mei 2015, nr. 76/2015.
Zie ook Wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, BS 29 mei 1990. (art. 19 §§1 en 5)

Laure Lemmens

Afkondigingsdatum : 10/04/1990
Publicatiedatum : 29/05/1990

Gepubliceerd op 03-06-2015

  105