Onmogelijkheid voor grootouders om erkenning te betwisten bij overlijden erkenner is niet ongrondwettig

Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan

Dat grootouders het bij erkenning vastgestelde vaderschap niet kunnen betwisten, ook niet als de erkenner overleden is zonder zelf de erkenning te betwisten en de termijn om dat te doen nog niet voorbij is, is niet in strijd met de Grondwet.

Het Hof heeft zich uitgesproken over het verschil in behandeling tussen
  • grootouders die het vaderschap van een overleden echtgenootkunnen betwisten als die echtgenoot dat zelf niet heeft gedaan en de termijn om dat te doen nog niet voorbij is; en
  • grootouders die het vaderschap niet kunnen betwisten als de overleden erkenner dat zelf niet heeft gedaan en de termijn daarvoor nog niet verstreken is.

Het Hof stelt eerst en vooral vast dat - voor de vrijwaring van het hoger belang van het kind - het niet nodig is om grootouders een recht te geven om de bij erkenning vastgelegde afstamming te betwisten. Er zijn genoeg andere personen die dat kunnen doen: de erkenner zelf als er aan zijn toestemming een gebrek kleeft, de persoon die met de erkenning heeft ingestemd en de persoon die de afstamming opeist. Ook het erkende kind kan de erkenning betwisten. Nog meer mensen een betwistingsrecht geven gaat in tegen de rechtszekerheid voor het kind.

Daarna onderzoekt het Hof of het verschil in behandeling tussen grootouders die de erkenning niet kunnen betwisten en de grootouders die het vaderschap van een overleden echtgenoot wél kunnen betwisten te verantwoorden is.

Het Hof stelt vast dat het vaderschap van het kind dat tijdens het huwelijk geboren is, van rechtswege wordt vastgesteld ten aanzien van de echtgenoot van de moeder. De erkenning daarentegen is een vrijwillige rechtshandeling van de man die een afstammingsband wil vaststellen ten aanzien van een kind. Men mag ervan uitgaan dat de erkenner zijn rechtshandeling weloverwogen heeft gesteld.

Een fundamenteel verschil dus. Een verschil dat, aldus het Hof, in het licht van de wil van de wetgever om de betwistingen van de erkenning van het vaderschap zoveel mogelijk te beperken met het oog op de rechtszekerheid, redelijkerwijs verantwoordt dat bij een erkenning grootouders niet het recht hebben om de erkenning te betwisten bij overlijden van de erkenner.

Bron: GwH 16 januari 2020, nr. 2/2020
Zie ook:
Burgerlijk Wetboek (art. 315, 318, 330)
Ilse Vogelaere
  51