NMBS: schorsing van hervormd stakingsrecht van kleine vakbonden

Het Grondwettelijk Hof schorst in de wet van 3 augustus 2016 de bepaling die ervoor zorgt dat enkel erkende of representatieve syndicale organisaties een stakingsaanzegging mogen indienen en mogen deelnemen aan de daaropvolgende overlegprocedure én mogen deelnemen aan de sociale verkiezingen door kandidaten voor te dragen.

Een gevoelige kwestie

Even ter herinnering. Artikel 12 van de wet van 3 augustus 2016, dat nu wordt geschorst, voegt een artikel 114/1 in in de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen. Dit artikel herdefiniëert in de eerste plaats wat er moet worden verstaan, in deze context, onder erkende en representatieve syndicale organisaties. Het bevestigt vervolgens uitdrukkelijk de rol van deze syndicale organisaties die erkend of representatief zijn voor de sociale dialoog bij de Belgische Spoorwegen, onder meer wat betreft de procedure van aanzegging en overleg naar aanleiding van sociale conflicten en het voordragen van kandidaten tijdens de sociale verkiezingen.

Zo heeft deze maatregel tot gevolg dat enkel nog erkende of representatieve syndicale organisaties sindsdien een stakingsaanzegging mogen indienen en mogen deelnemen aan de daaropvolgende overlegprocedure, met uitsluiting dus van organisaties die, bijvoorbeeld, slechts één personeelscategorie vertegenwoordigen in één enkel bedrijf van de NMBS Groep. Hetzelfde geldt voor een van de nieuwe, door de wet van 3 augustus 2016 gecreëerde prerogatieven van de vakbonden, met name de deelname aan de sociale verkiezingen.

Ook nog ter herinnering. De Onafhankelijke Vakbond voor spoorwegpersoneel (OVS) en het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt (VSOA) zijn samen met het Autonoom Syndicaat van Treinbestuurders (ASTB) vakorganisaties die bij de Belgische Spoorwegen zijn ‘aangenomen’ om er hun vakbondsactiviteit te ontplooien, maar zij zijn geen overeenkomstig het personeelsstatuut van de NMBS-Holding ‘erkende’ vakorganisaties, zoals de Algemene Centrale der Openbare Diensten (ACOD) en het Algemeen Christelijk Vakverbond Transport en Communicatie (ACV-Transcom).

De wetgever was zich erg van deze gevoelige kwestie bewust en legde dat in het lang en in het breed uit in de parlementaire voorbereiding van de wet. Daarin verduidelijkte hij onder meer dat “de legitieme doelstelling die met de beperking wordt beoogd […] het beschermen [is] van de rechten en de vrijheden van anderen” en dat het “niet onredelijk [is] dat de stakingsaanzegging wordt voorbehouden aan die organisaties die daadwerkelijk deel uitmaken van de sociale dialoog en met wie de onderhandeling dus werkelijk plaatsvindt. Er bestaat immers geen verplichting […] om alle vakorganisaties te laten deelnemen aan de sociale dialoog.”

Moeilijk te herstellen ernstig nadeel

Opdat de vordering tot schorsing in aanmerking kan worden genomen, moet ze aan twee grondvoorwaarden voldoen:

  • de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn, en
  • de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen.

De vordering tot schorsing werd onder meer ingediend door de Onafhankelijke Vakbond voor spoorwegpersoneel (OVS), die aanvoert dat zijn levensvatbaarheid als vakbond op het spel zou staan. De essentie zelf van zijn vakbondsprerogatieven zou hem immers ontzegd worden, aangezien hij geen stakingsaanzegging meer kan indienen en niet langer kan deelnemen aan de procedure van overleg in geval van sociale conflicten, of deelnemen aan de sociale verkiezingen door kandidaten voor te dragen.

Het Hof stelt in de eerste plaats vast dat de omschrijving en de prerogatieven van de verschillende vakorganisaties binnen de Spoorwegen vóór het aannemen van de bestreden bepaling niet bij wet geregeld werden, maar voornamelijk voortvloeiden uit het Statuut van het Personeel en uit het Algemeen Reglement voor de Syndicale Betrekkingen van de NMBS (ARPS – meer bepaald Bundel 548 van de NMBS). Op basis van deze teksten genoot de OVS, als aangenomen vakorganisatie, indertijd dezelfde prerogatieven als die van de erkende organisaties (onder het voorbehoud dat hij geen bestendige afgevaardigde had en, aangezien hij geen zitting had in de Nationale Paritaire Commissie, geen gewaarborgde vertegenwoordiging in de andere organen van sociale dialoog genoot).

Het Hof beschouwt bijgevolg het verlies van deze prerogatieven, en meer bepaald van de mogelijkheid om op aanvaarde wijze collectieve acties te voeren, als een ernstig nadeel. Bovendien kan een dergelijk verlies “het vertrouwen van de werknemers in het vermogen van de OVS om hun belangen bij hun werkgever te verdedigen ernstig aantasten”, en zulks zou al een onmiddellijk effect kunnen hebben.

Ernstige middelen

Ten tweede onderzoekt het Grondwettelijk Hof het argument van de verzoekende partijen dat stelt dat de bestreden bepaling een aantasting van de vakbondsvrijheid zou zijn. Ze verwijzen in dat opzicht naar verschillende teksten zoals de Grondwet, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, het herziene Europees Sociaal Handvest, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Verdrag nr. 87 van de Internationale Arbeidsorganisatie.

Aanzegging en overleg

Meer bepaald onderzoekt het Grondwettelijk Hof of de beperking van de vakbondsvrijheid en van het recht op collectief onderhandelen die door de bestreden bepaling wordt opgelegd gerechtvaardigd kan worden op grond van de grondwets- en verdragsbepalingen. Het Hof baseert zich daarvoor onder meer op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Het Grondwettelijk Hof erkent dat de bestreden bepaling een doeltreffende sociale dialoog en de eenheid van het statuut nastreeft, dat het recht om collectieve acties te voeren overigens aan beperkingen kan onderworpen worden en dat de uitoefening van dat recht moet worden afgewogen tegenover de andere rechten en vrijheden die door het Unierecht worden beschermd. In die zin wijst de wetgever trouwens op “het maatschappelijk belang van het openbaar vervoer en op het feit dat collectieve acties zoals stakingen afbreuk kunnen doen aan de rechten van de gebruikers van het openbaar vervoer en om die reden aan beperkingen kunnen worden onderworpen”.

Het Hof stelt evenwel vast dat de bestreden bepaling tot gevolg heeft dat het bepaalde vakorganisaties zonder meer uitsluit “van de mogelijkheid om deel te nemen aan de ‘procedure van aanzegging en overleg naar aanleiding van sociale conflicten’”. Niettegenstaande het feit dat de wetgever bepaalde prerogatieven kan toekennen aan de erkende en representatieve vakorganisaties, mag dat er niet toe leiden dat “de aangenomen vakorganisaties worden uitgesloten van een prerogatief dat behoort tot de essentie zelf van de vakbondsvrijheid, door hun een middel te ontnemen dat onontbeerlijk is om de daadwerkelijke uitoefening van het recht op collectief onderhandelen te verzekeren en om de belangen van hun leden op nuttige wijze te kunnen verdedigen”.

Hieruit volgt dat de bestreden beperking een onevenredige aantasting van de rechten van de betrokken vakbonden uitmaakt.

Sociale verkiezingen

Het Grondwettelijk Hof beschouwt daarnaast de uitsluiting van de aangenomen vakorganisaties van het recht om deel te nemen aan de sociale verkiezingen eveneens als een ernstig middel.

Deze beslissing, die geïnspireerd is op wat in de privésector bestaat, moet garanderen dat de sociale dialoog doeltreffend verloopt, rekening houdend met de belangen van de werknemers in het algemeen en met eerbied voor de eenheid van het personeelsstatuut.Het Hof is echter van mening dat het “niet redelijk verantwoord [lijkt] dat […] in geen enkel opzicht rekening wordt gehouden met de specifieke situatie binnen de Belgische Spoorwegen van de aangenomen vakbonden die van een reële feitelijke representativiteit blijk geven, temeer daar vakorganisaties die weinig representatief zijn […] wel kunnen deelnemen aan die sociale verkiezingen, wanneer zij beantwoorden aan de wettelijke definitie van een ‘representatieve’ vakorganisatie”.

Zo stelt het Grondwettelijk Hof vast dat “het systeem […] tot gevolg [kan] hebben dat aan bepaalde werknemers van de Belgische Spoorwegen de mogelijkheid wordt ontzegd om personen te verkiezen die een voldoende band met hen hebben om hun belangen daadwerkelijk te vertegenwoordigen” en trekt het de conclusie dat de bestreden bepaling bijgevolg op ernstige wijze afbreuk lijkt te doen “aan het recht om deel te nemen aan een democratisch proces waardoor de betrokken werknemers hun vertegenwoordigers met inachtneming van het vakbondspluralisme kunnen verkiezen”.

Schorsing

Aangezien er aan de nodige grondvoorwaarden werd voldaan, schorst het Grondwettelijk Hof de bestreden bepaling en zal het nu de mogelijkheid tot vernietiging ervan nader bestuderen.

Bron:Uittreksel uit arrest nr. 64/2017 van 18 mei 2017, BS 23 mei 2017.
Zie ook:- Wet van 3 augustus 2016 houdende diverse bepalingen inzake spoorwegen, BS 7 september 2016 (art. 12).- Wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen, BS 23 juli 1926 (art. 114/1).

Benoît Lysy / Karin Mees

Wet houdende diverse bepalingen inzake spoorwegen

Afkondigingsdatum : 03/08/2016
Publicatiedatum : 07/09/2016

Gepubliceerd op 30-05-2017

  395