Nieuwe richtlijnen voor het opmaken van een landinrichtingsplan (art. 4.1.1.1 Landinrichtingsbesluit)

In het landinrichtingsdecreet zegt de Vlaamse decreetgever dat de regering een landinrichtingsproject kan instellen als dat project bijdraagt tot het behoud, de bescherming en de ontwikkeling van functies en kwaliteiten van de open ruimte. De vraag kan uitgaan van de Vlaamse regering zelf, van een provincie of gemeente, of van een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon die in het Vlaams Gewest belast is met taken van openbaar nut. Als de vraag niet uitgaat van de regering zelf, moet het project passen binnen de beleidsprioriteiten van de Vlaamse regering.

Het decreet laat het aan de Vlaamse regering over om de volledige procedure voor een landinrichting vast te leggen: de voorbereiding, de coördinatie, de instelling, stopzetting, gebiedsafbakening en het tijdspad…

Open ruimte

Onder de vorige regelgeving konden landinrichtingsprojecten alleen uitgevoerd worden in gebieden met als gewestplanbestemming: landelijk gebied, recreatiegebied, woongebied met een landelijk karakter of ontginningsgebied, of in gebied dat op een ander plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan een vergelijkbare bestemming had gekregen.

Het Landinrichtingsdecreet trekt dit open: landinrichting is voortaan mogelijk ter behoud, bescherming of ontwikkeling van de open ruimte. En open ruimte is: elk gebied waarin de onbebouwde ruimte overweegt. Om het even wat de bestemming is.

Van haalbaarheidsonderzoek tot startbeslissing

De hele procedure start met een vraag – van de Vlaamse regering, van een provincie, gemeente of rechtspersoon met een opdracht van openbaar nut – naar inrichting of beheer van de open ruimte. De minister, die bevoegd is voor het Omgevingsbeleid, geeft dan opdracht aan de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) om de opportuniteit en haalbaarheid van het landinrichtingsproject te onderzoeken.

Het onderzoek is echter ruimer dan dat, want het uiteindelijke onderzoeksrapport moet ook al een voorstel van mogelijk landinrichtingsproject bevatten: met doelstellingen, gebiedsafbakening, een overzicht van de mogelijke partners, en een kostenraming.

De VLM maakt haar onderzoeksrapport over aan de zogenaamde ‘programmatiecommissie’. Dat is een overheidsorgaan, waarin de leidend ambtenaren zetelen van diverse departementen en agentschappen, onder meer van het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, van het departement Leefmilieu, van het Agentschap voor Natuur en Bos, enz. De programmatiecommissie is vergelijkbaar met de vroegere landinrichtingscommissies, maar krijgt een meer strategisch karakter. Het wordt onder meer haar taak om in een zo vroeg mogelijk stadium de beleidsrelevantie van de vraag om een landinrichtingsproject na te gaan, en de vraag af te toetsen aan de beleidsprioriteiten van de Vlaamse regering en de beschikbare middelen. De commissie moet ook nagaan of een landinrichtingsplan nodig is om de gewenste inrichting te verwezenlijken en of er geen (goedkopere) alternatieven zijn. De programmatiecommissie bezorgt haar advies aan de VLM, waarna de VLM haar voorstel van landinrichtingsproject nog kan aanpassen.

De VLM bezorgt daarop haar (al dan niet bijgewerkte) voorstel, het advies en een overzicht van de mate waarin zij rekening heeft gehouden met het advies van de programmatiecommissie, aan de minister, aan het college van burgemeester en schepenen van alle betrokken gemeenten, en aan de deputatie van de provincie.

Het is dan aan de Vlaamse regering om het voorstel van landinrichtingsproject al dan niet goed te keuren en een landinrichtingsproject in te stellen. De regering brengt – via de VLM –, de colleges, de deputatie en de programmatiecommissie op de hoogte van de definitieve beslissing.

Landinrichtingsplan

Om het landinrichtingsproject te kunnen realiseren, zal de Vlaamse regering – via de VLM – één of meerdere landinrichtingsplannen opstellen. Meerdere landinrichtingsplannen kunnen bijvoorbeeld relevant zijn wanneer een project gefaseerd wordt uitgevoerd of wanneer er verschillende rechtsintrumenten zullen ingezet worden.

De VLM bezorgt haar ontwerpplan aan de colleges van de gemeenten en aan de deputaties van de provincies waarop het landinrichtingsplan betrekking heeft. De colleges en de deputaties kunnen advies uitbrengen.

De colleges organiseren gedurende 30 dagen een openbaar onderzoek. Het Landinrichtingsbesluit zegt niet hoe dat openbaar onderzoek moet worden aangekondigd.

Drie maanden nadat het college het ontwerp van landinrichtingsplan heeft ontvangen (termijn van openbaar onderzoek dus inbegrepen) bezorgt het college alle opmerkingen en bezwaren die uit het openbaar onderzoek voortvloeiden aan de VLM. Drie maanden na, is ook de deadline waarbinnen het college een eigen advies kan uitbrengen.

De VLM kan haar ontwerpplan aanpassen als gevolg van de opmerkingen en bezwaren die uit het openbaar onderzoek voortvloeiden. De Vlaamse Landmaatschappij kan het ontwerpplan ook aanpassen op grond van de adviezen van de colleges, maar enkel nadat de aanpassingen eerste werden voorgelegd aan de lokale planbegeleidingsgroep. De planbegeleidingsgroep bestaat onder meer uit vertegenwoordigers van de administratie, van het lokale bestuur en van de natuur- en landbouwverenigingen.

De VLM bezorgt daarna alle documenten aan de minister die bevoegd is voor het Omgevingsgebeleid.Als het landinrichtingsplan uitsluitend betrekking heeft op bevoegdheden die zijn toegewezen aan de minister, kan zij het landinrichtingsplan vaststellen en kan zij de personen en instanties die in het landinrichtingsplan aangewezen werden, opdracht geven om het landinrichtingsplan uit te voeren. Dat zullen in de regel de departementen en agentschappen van de Vlaamse overheid zijn. Als het landinrichtingsplan ook betrekking heeft op bevoegdheden die niet werden toegewezen aan de minister – maar aan de provincies, gemeenten of rechtspersonen –, dan wordt het landinrichtingsplan vastgesteld door de Vlaamse regering, en belast de Vlaamse regering de betrokkenen met de uitvoering van het plan, of van gedeelten ervan.

De VLM bezorgt het landinrichtingsplan en het besluit tot vaststelling van dat landinrichtingsplan aan de personen en instanties die belast zijn met de uitvoering van het landinrichtingsplan, aan de colleges en deputaties van de betrokken gemeenten en provincies, en aan de leden van de planbegeleidingsgroep. De definitieve tekst ligt ter inzage bij de betrokken gemeenten.

De VLM publiceert tot slot het besluit tot vaststelling van het landinrichtingsplan binnen de 60 dagen in het Belgisch Staatsblad als één van de volgende rechtsinstrumenten werd ingezet voor de landinrichting:

  • inrichtingswerken uit kracht van wet;
  • erfdienstbaarheden tot openbaar nut;
  • een herverkaveling uit kracht van wet; of
  • een recht van voorkoop.

Klaar!

De persoon die het landinrichtingsplan heeft vastgesteld , stelt ook officieel vast dat het landinrichtingsplan werd voltooid. De VLM maakt het besluit tot voltooiing van het landinrichtingsplan bekend in het Belgisch Staatsblad. Een dergelijke bekendmaking is echter alleen vereist als bij de landinrichting één van de volgende rechtsinstrumenten werd ingezet:

  • een vrijwillige bedrijfsverplaatsing;
  • een vrijwilliige bedrijfsstopzetting;
  • een vrijwillige bedrijfsreconversie; of
  • een koopplicht.

Subsidies

Het besluit stipt aan dat de betrokken initiatiefnemers subsidies kunnen krijgen voor het opmaken en uitvoeren van een projectvoorstel. De subsidies bedragen in principe 10% van de kostprijs voor het voorbereiden van een landinrichtingsplan, en 50% voor de uitvoering ervan. Daarnaast is er ook nog recht op een overheidstussenkomst van ten hoogste 70% voor de eigenlijke inrichtingswerken.

Het Vlaamse Gewest voorziet verder in subsidies voor de tussenkomst van lokale grondenbanken, voor grondverwerving, voor het opmaken van een onderhoudsplan, voor het uitvoeren van beheerwerken, dienstenvergoedingen, enz.

Ook voor projecten, plannen en programma’s

De landinrichtingsinstrumenten kunnen ook ingezet worden bij de realisatie van een ander project dan een landinrichtingsproject, bij een plan (bv. een ruimtelijk uitvoeringsplan) of bij een programma.

Als dat project of plan uitgaat van een provincie of gemeente is voor het inzetten van de volgende instrumenten een expliciete machtiging van de Vlaamse regering nodig:

  • inrichtingswerken uit kracht van wet;
  • vestigen van een erfdienstbaarheid van openbaar nut;
  • vrijwillige bedrijfsverplaatsing;
  • vrijwillige bedrijfsreconversie;
  • vrijwillige bedrijfsstopzetting;
  • recht van voorkoop;
  • herverkaveling uit kracht van wet;
  • herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil; en
  • vergoeding voor waardeverlies van gronden.

Met het oog op een geïntegreerde, gebiedsgerichte aanpak stelt de Vlaamse regering, de provincie of het gemeentebestuur één of meerdere inrichtingsnota’s op. Dat gebeurt in samenwerking met de Vlaamse Landmaatschappij.

In haar Landinrichtingsbesluit legt de Vlaamse regering de regels vast voor het opmaken van de inrichtingsnota’s en voor de integratie ervan in de procedure die het project, plan of programma moet doorlopen.

Sinds 1 november

Het Landinrichtingsbesluit is op 1 november 2014 in werking getreden.

Bron:Besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014 betreffende de landinrichting, BS 22 oktober 2014 (art. 4.1.1.1 e.v. van het Landinrichtingsbesluit).
Zie ook: Decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting, BS 22 augustus 2014 (Landinrichtingsdecreet).

Carine Govaert

Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de landinrichting

Afkondigingsdatum : 06/06/2014
Publicatiedatum : 22/10/2014

Gepubliceerd op 28-11-2014

  237