NBB-reglement over uitvoering Bazel III-verordening gewijzigd

De Nationale Bank van België (NBB) heeft haar reglement van 4 maart 2014 over de uitvoering van de Bazel III-verordening gewijzigd. Het wijzigingsreglement van 26 juli 2016 is goedgekeurd bij KB van 1 september 2016. Het treedt in werking op 1 oktober 2016.

Reglement van toepassing op…

Het reglement van 26 juli 2016 - waarmee de NBB haar ‘reglement van 4 maart 2014 over de uitvoering van de Bazel III-verordening’ aanpast - is van toepassing op:

Het nieuwe NBB-reglement beperkt de toepassing van een reeks artikelen van het ‘NBB-reglement van 4 maart 2014 over de uitvoering van de Bazel III-verordening’ tot de kredietinstellingen naar Belgisch recht die krachtens artikel 6, lid 4 van de GMT-verordening niet onder het rechtstreeks toezicht van de Europese Centrale Bank staan en tot de beleggingsondernemingen naar Belgisch recht (als bedoeld in art. 4, lid 1, punt 2), Bazel III-verordening). Dit als gevolg van de inwerkingtreding op 1 oktober 2016 van ‘verordening nr. 2016/445 van de Europese Centrale Bank van 14 maart 2016 betreffende de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt’.

Grote risico’s

Tijdens de in artikel 493, lid 3, c) van de Bazel III-verordening bedoelde overgangsperiode geldt het volgende:

  • blootstellingen, waaronder deelnemingen of andere belangen, die een instelling heeft op haar moederonderneming of op andere dochterondernemingen van deze moederonderneming, waarbij deze ondernemingen opgenomen zijn in het toezicht op geconsolideerde basis (zoals bedoeld in art. 493, lid 3, c), Bazel III-verordening), vallen ten belope van 25% onder de toepassing van artikel 395, lid 1 van de Bazel III-verordening, onverminderd het bepaalde onder punt 2) hieronder en § 3 van artikel 16 van het NBB-reglement van 26 juli 2016;
  • zonder dat de onder punt 1) bedoelde weging wordt toegepast, bedraagt de in artikel 395, lid 1, alinea 2 van de Bazel III-verordening bedoelde blootstellingswaarde in elk geval niet meer dan 100% van het in aanmerking komend kapitaal van de kredietinstelling;
  • 3voor de toepassing van de punten 1) en 2) hierboven wordt voor de onder 1° bedoelde blootstellingen enkel het effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 399,400, leden 1 en 2, a) en i),401,402 en 403 van de Bazel III-verordening in aanmerking genomen.

Tijdens de in artikel 493, lid 3, c) van de Bazel III-verordening bedoelde overgangsperiode zijn de blootstellingen, waaronder deelnemingen of andere belangen, die een instelling heeft met betrekking tot haar eigen dochterondernemingen die opgenomen zijn in het toezicht op geconsolideerde basis, vrijgesteld van de toepassing van artikel 395, lid 1 van de Bazel III-verordening.

Mits de bevoegde autoriteit hiervoor voorafgaandelijk de toestemming verleent, zijn de in de § 1 van artikel 16 van het NBB-reglement van 26 juli 2016 bedoelde blootstellingen vrijgesteld van de toepassing van artikel 395, lid 1 van de Bazel III-verordening, voor zover minstens voldaan is aan elk van de volgende voorwaarden:

  • de instelling wordt bijna uitsluitend door professionele wederpartijen gefinancierd;
  • de deposito’s ontvangen van niet-professionele wederpartijen zijn beperkt in omvang binnen het volledige Belgische bankstelsel.

De paragrafen 1 tot 3 van artikel 16 van het NBB-reglement van 26 juli 2016 blijven na afloop van de in artikel 493, lid 3 van de Bazel III-verordening bedoelde overgangsperiode enkel gelden voor kredietinstellingen naar Belgisch recht die niet krachtens artikel 6, lid 4 van de GTM-verordening onder het rechtstreeks toezicht van de ECB staan, evenals op de beleggingsondernemingen naar Belgisch recht als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 2) van de Bazel III-verordening.

De volgende risicoposities zijn vrijgesteld van de toepassing van artikel 395, lid 1 van de Bazel III-verordening:

  • activa bestaande uit vorderingen op centrale banken in de vorm van bij deze centrale banken aan te houden voorgeschreven minimumreserves die in de nationale munt zijn uitgedrukt;
  • activa bestaande uit vorderingen op centrale overheden in de vorm van reglementair vereiste liquiditeit die in overheidspapier worden aangehouden, en die in de nationale munt uitgedrukt en gefinancierd zijn, mits die centrale overheden van een aangewezen EKBI een kredietbeoordeling hebben gekregen die overeenstemt met een kredietwaardigheidscategorie 3 of beter.

De volgende risicoposities vallen ten belope van 20% onder de toepassing van artikel 395, lid 1 van de Bazel III-verordening:

  • activa bestaande uit vorderingen op regionale of lokale overheden van de lidstaten, indien aan die vorderingen krachtens deel 3, titel II, hoofdstuk 2 van dezelfde verordening een risicoweging van 20% zou worden toegekend, alsmede andere risicoposities op of gegarandeerd door deze regionale of lokale overheden, indien aan die vorderingen krachtens deel 3, titel II, hoofdstuk 2 van dezelfde verordening een risicoweging van 20% zou worden toegekend;
  • activa bestaande uit vorderingen en andere risicoposities op kredietinstellingen, aangegaan door kredietinstellingen waarvan er één op niet-concurrerende basis werkzaam is en in het kader van wetgevingsprogramma’s of overeenkomstig haar statuten leningen verstrekt of waarborgt waarmee steun wordt verleend aan bepaalde economische sectoren, waarbij de overheid op de een of andere wijze toezicht houdt en er beperkingen gelden voor de besteding van de leningen, op voorwaarde dat de respectieve risicoposities voortvloeien uit dergelijke leningen die via kredietinstellingen worden verstrekt aan de begunstigden, of uit de waarborgen van deze leningen.

De volgende risicoposities vallen ten belope van 50% onder de toepassing van artikel 395, lid 1 van de Bazel III-verordening:

  • gedekte obligaties die voldoen aan de voorwaarden van artikel 129, leden 1, 3 en 6 van de Bazel III-verordening;
  • documentaire kredieten met een middelgroot risico buiten de balans en niet-opgenomen kredietfaciliteiten met een middelgroot risico buiten de balans, als bedoeld in bijlage I van dezelfde verordening.

De risicoposities die opgenomen zijn in artikel 400, lid 2 van de Bazel III-verordening en die niet vermeld zijn in de artikelen 16 en 16bis van het NBB-reglement van 4 maart 2014, vallen volledig onder de toepassing van artikel 395, lid 1 van dezelfde verordening.

In werking

Het KB van 1 september 2016 treedt in werking op 1 oktober 2016.

Het bevat in bijlage het wijzigingsreglement van de NBB van 26 juli 2016.

Opheffing

Het ‘NBB-reglement van 2 juni 2015 over de liquiditeit van kredietinstellingen’ treedt, samen met het KB van 5 juli 2015 tot goedkeuring ervan, buiten werking op 1 oktober 2016.

Bron:Koninklijk besluit van 1 september 2016 tot goedkeuring van het reglement van 26 juli 2016 van de Nationale Bank van België tot wijziging van het reglement van 4 maart 2014 van de Nationale Bank van België betreffende de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 en tot opheffing van het reglement van 2 juni 2015 van de Nationale Bank van België betreffende de liquiditeit van kredietinstellingen, BS 15 september 2016.
Zie ook:- Koninklijk besluit van 5 juli 2015 tot goedkeuring van het reglement van 2 juni 2015 van de Nationale Bank van België betreffende de liquiditeit van kredietinstellingen, BS 10 juli 2015.- Wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, BS 7 mei 2014 (bankwet).- Koninklijk besluit van 10 april 2014 tot goedkeuring van het reglement van 4 maart 2014 van de Nationale Bank van België betreffende de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013, BS 15 mei 2014.- Koninklijk besluit van 26 september 2005 houdende het statuut van de vereffeningsinstellingen en de met vereffeningsinstellingen gelijkgestelde instellingen, BS 11 oktober 2005; err., BS, 20 december 2005.- Wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, BS 4 september 2002.- Wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, BS 28 maart 1998 (organieke wet NBB) (art. 12bis, § 2).- Verordening (EU) nr. ECB/2016/4 van de Europese Centrale Bank van 14 maart 2016 betreffende de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt, Pb.L. 78, 24 maart 2016.- Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/61 van de Commissie van 10 oktober 2014 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 met betrekking tot het liquiditeitsdekkingsvereiste voor kredietinstellingen, Pb.L. 17 januari 2015, afl. 11.- Verordening (EU) 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, Pb.L. 287, 29 oktober 2013; err., Pb.L. 305, 24 oktober 2014 (GTM-verordening).- Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012, Pb.L. 27 juni 2013, afl. 176; err. Pb.L. 2 augustus 2013, afl. 208; err. Pb.L. 30 november 2013, afl. 321 (Bazel III-verordening).

Christine Van Geel

Reglement van de Nationale Bank van België betreffende de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013

Afkondigingsdatum : 04/03/2014
Publicatiedatum : 15/05/2014

Gepubliceerd op 20-09-2016

  114