Minimumbezoldiging bedrijfsleiders: vennootschappen betalen geen afzonderlijke aanslag meer

Wet tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, houdende opheffing van de sanctie wegens het niet-voldoen aan de voorwaarde betreffende het bedrag van de bezoldiging van de bedrijfsleider

Vennootschappen die geen 45.000 euro betalen aan één van hun bedrijfsleiders - dat is de minimumbezoldiging om te kunnen genieten van het verlaagd KMO-tarief in de Ven.B. – moeten op het te weinig toegekende bedrag geen afzonderlijke aanslag meer betalen.

De wet van 13 april 2019 trekt de afzonderlijke aanslag van 5% op dit bezoldigingstekort in vanaf het aanslagjaar 2019 (intrekking art. 219quinquies, WIB 1992; art. 5, wet van 13 april 2019).

De minimumbezoldiging voor de bedrijfsleiders, als voorwaarde voor de toekenning van het verlaagd Ven.B-tarief, blijft wel bestaan voor KMO-vennootschappen die willen genieten van het verlaagd Ven.B-tarief (art. 215, derde lid, 4°, WIB 1992).

Regeling ‘minimumbezoldiging bedrijfsleiders’ ingetrokken

De wetgever trekt de afzonderlijke aanslag van 5% op het bezoldigingstekort volledig in vanaf het aanslagjaar 2019, verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2018 (intrekking art. 219quinquies, WIB 1992; art. 5 en art. 9, wet van 13 april 2019).
En hij heft de regeling ook op in de BNI (opheffing art. 233, derde lid, WIB 1992; art. 6, wet van 13 april 2019).

Opgelet!
De minimumbezoldiging voor de bedrijfsleiders, als voorwaarde voor de toekenning van het verlaagd Ven.B.-tarief, blijft wel bestaan voor KMO-vennootschappen die in aanmerking willen komen voor het verlaagd Ven.B-tarief van 20%.
Net zoals voordien geldt deze verplichting pas vanaf het vijfde belastbaar tijdperk na de oprichting van de KMO-vennootschap, en geldt ze niet voor erkende coöperatieve vennootschappen (aanpassing art. 215, lid 3, 4°, WIB 1992; art. 3, wet van 13 april 2019).

Afzonderlijke aanslag op bezoldigingstekort

Bij de recente hervorming van de vennootschapsbelasting heeft de Regering de minimumbezoldiging van een bedrijfsleider opgetrokken van 36.000 euro tot 45.000 euro.

Een vennootschap die wil genieten van het verlaagd KMO-tarief van 20% in de vennootschapsbelasting op de eerste 100.000 euro aan belastbaar inkomen, moet in het belastbaar tijdperk minimum 45.000 euro loon betalen aan één van haar bedrijfsleiders. Doet ze dat niet, dan is het standaardtarief van de Ven.B. van toepassing.
Het bedrag mag lager zijn dan 45.000 euro op voorwaarde dat het minstens gelijk was aan het resultaat van het belastbaar tijdperk.

Een vennootschap die de minimale bedrijfsleidersbezoldiging niet betaalde, was ook een ‘afzonderlijke aanslag’ verschuldigd. Ze moest deze afzonderlijke aanslag betalen op het positieve verschil tussen de minimumbezoldiging (die ze had moeten betalen) en de hoogste bezoldiging (die ze effectief had betaald).
Het tarief van die afzonderlijke aanslag bedroeg 5,1% (incl. aanvullende crisisbijdrage).
Vanaf aanslagjaar 2021 zou deze afzonderlijke aanslag zelfs 10% bedragen (de crisisbijdrage is dan afgeschaft).

De afzonderlijke aanslag gold voor alle vennootschappen, niet alleen kleine, en was ook van toepassing op Belgische inrichtingen van buitenlandse vennootschappen.
Maar hij wordt nu dus ingetrokken vanaf het aanslagjaar 2019, verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2018.

De afzonderlijk aanslag was een aftrekbare beroepskost (wijziging art. 198, § 1, 1°; art. 2, wet van 13 april 2019).

In werking

Deze maatregelen zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2019 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2018.

Bron: Wet van 13 april 2019 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, houdende opheffing van de sanctie wegens het niet-voldoen aan de voorwaarde betreffende het bedrag van de bezoldiging van de bedrijfsleider, BS 26 april 2019.
Zie ook:
– Wetboek van de inkomstenbelastingen van 10 april 1992, BS 30 juli 1992 (WIB 1992) (art. 198, § 1, 1°, art. 215, derde lid, 3° en 4°, art. 218, § 1, art. 219quinquies en art. 233, derde lid)
– Wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting, BS 29 december 2017, err. BS 26 maart 2018) (art. 54, art. 60 en art. 86)
Christine Van Geel
Wolters Kluwer
  67