Minimum dienstverlening: het Grondwettelijk Hof beperkt de tuchtsancties

Wet betreffende de continuïteit van de dienstverlening inzake personenvervoer per spoor in geval van staking

Sinds januari 2018 moeten de spoorwegmaatschappijen een minimum dienstverlening garanderen in geval van staking. De wet van 29 november 2017 die deze verplichting oplegt, werd echter doorverwezen naar het Grondwettelijk Hof. Dit heeft de aangevoerde argumenten grotendeels verworpen, maar wel erkend dat het opleggen van een tuchtsanctie aan personeelsleden die hun intentie om niet deel te nemen aan de staking (en dus te komen werken) niet te kennen geven, onevenredig is.

De wet van 29 november 2017 heeft een nieuw hoofdstuk 11/1 “Continuïteit van de dienstverlening inzake personenvervoer per spoor in geval van staking” ingevoegd in de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen om, in geval van staking, een minimum dienstverlening op te leggen in het personenvervoer. Tegen die bepalingen werd een beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld voor het Grondwettelijk Hof. Onder de vijf middelen (en vele onderdelen) van dat hoger beroep, heeft het Hof uiteindelijk enkel op het vlak van de tuchtsanctie een schending vastgesteld.

Het nieuwe artikel 153/1 verplicht immers een aantal personeelsleden die als essentieel worden beschouwd om, in geval van staking, uiterlijk 72 uur vóór de aanvang van de dag van de staking, hun definitieve intentie om al dan niet deel te nemen aan de stakingsdag bekend te maken. Wie zijn intentie niet binnen de termijnen meedeelt (of die bevestigde intentieverklaring niet naleeft) riskeert een tuchtsanctie.

Het Hof oordeelt echter dat “ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen, het feit dat een personeelslid zijn intentie om niet aan de staking deel te nemen en, bijgevolg, te werken, niet meedeelt, als een tuchtvergrijp te beschouwen, onevenredig is” en beslist om de woorden “al dan niet” in de hiervoor aangehaalde zin te vernietigen. Het meent dus dat het volstaat dat de personeelsleden die willen meedoen aan de staking hun intentie te kennen geven om een goede planning voor een aangepast vervoersaanbod mogelijk te maken.

De werknemer die zich op zijn arbeidsplaats aanbiedt hoewel hij niet had verklaard dat hij op de stakingsdag zou werken, wordt dus niet gestraft.
Enkel de stakers die hun intentie om aan de staking deel te nemen niet (of niet tijdig) hebben bekend gemaakt of hebben aangegeven dat ze er niet aan zouden deelnemen, riskeren een sanctie.

We stippen niettemin aan dat het Hof niet raakt aan de bepaling die zegt :“tenzij er een behoorlijk bewezen geldige reden is, stellen de personeelsleden van één van de voormelde beroepscategorieën die hun intentie hebben medegedeeld om al dan niet aan de stakingsdag deel te nemen, zich bloot aan een tuchtsanctie indien ze die verklaring niet naleven”.
We moeten hieruit dus afleiden dat de werknemer die heeft verklaard dat hij wil staken, maar zich toch op de arbeidsplaats aanbiedt, zich eveneens blootstelt aan een tuchtsanctie, zelfs al mag hij zijn dienst uiteindelijk vervullen (in functie van de mogelijkheid voor het diensthoofd om hem op te nemen in de personeelsplanning op de dag van de staking).

Bron: Grondwettelijk Hof, arrest nr. 67/2020 van 14 mei 2020
Zie ook
Wet van 29 november 2017 betreffende de continuïteit van de dienstverlening inzake personenvervoer per spoor in geval van staking, BS, 17 januari 2018
Wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen, BS, 24 juli 1926
Benoît Lysy
  253