Krachtlijnen uit de ‘Wet tot hervorming van de vennootschapsbelasting’

Wet tot hervorming van de vennootschapsbelasting

Op 29 december 2017 verscheen de ‘wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting’ in het Belgisch Staatsblad.
De hervorming van de vennootschapsbelasting vindt plaats in drie fases:
  • een eerste fase vanaf 2018: deze maatregelen treden in werking op 1 januari 2018 en zijn van toepassing vanaf aj. 2019 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2018;
  • de tweede fase vanaf 2019: deze maatregelen treden in werking op 1 januari 2019 en zijn van toepassing vanaf aj. 2020 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2019;
  • de derde fase vanaf 2020: deze maatregelen treden in werking op 1 januari 2020 en zijn van toepassing vanaf aj. 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2020.
Voor sommige maatregelen geldt er nog een aparte datum van inwerkingtreding.
Omdat de overheid geen opbrengsten uit de vennootschapsbelasting wil verliezen, moet de hervorming ‘budgetneutraal’ zijn. De wet van 25 december 2017 bevat dan ook heel wat flankerende maatregelen.
Hierna vindt u een kort overzicht van de belangrijkste maatregelen uit de ‘wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting’.

Daling Ven.B.-tarief

De meest opvallende maatregel is de daling van het tarief van de Ven.B.: vanaf 2018 betalen vennootschappen 29,58% (incl. 2% crisisbijdrage) in plaats van 33,99% (incl. 3% crisisbijdrage), en vanaf 2020 is dat nog 25% (0% crisisbijdrage). Kleine ondernemingen moeten zelfs maar 20,40% (incl. 2% crisisbijdrage) betalen op de eerste 100.000 euro winst die ze behalen; vanaf 2020 (aj. 2021) is dat nog 20% (0% crisisbijdrage).
De aanvullende crisisbijdrage wordt mee lineair uitgedoofd: ze daalt van 3% naar 2% in 2018 en naar 0% in 2020.
Vanaf het aj. 2019 worden ook de voorwaarden voor het bekomen van het KMO-tarief gewijzigd: de vennootschap moet ‘klein’ zijn volgens artikel 15, § 1 tot § 3, W. Venn., de 13%-grens voor dividenduitkering wordt geschrapt, en de voorwaarde over de minimumbezoldiging voor bedrijfsleiders wordt gewijzigd.
Vennootschappen die geen 45.000 euro betalen aan hun bedrijfsleider (dat is de minimumbezoldiging om te kunnen genieten van het KMO-tarief), zullen op het bezoldigingstekort een afzonderlijke aanslag moeten betalen.
(wijziging art. 215, WIB 1992; art. 54, wet hervorming Ven.B.)
Vanaf het aj. 2021 wordt de afzonderlijke aanslag op het bezoldigingstekort verdubbeld en zal die 10% bedragen.
(wijziging § 3, art. 219quinquies, WIB 1992; art. 60, wet hervorming Ven.B.)

Voorafbetalingen

De basisrentevoet voor de berekening van de vermeerdering bij geen of onvoldoende voorafbetalingen voor vennootschappen bedraagt vanaf nu minstens 3%.
De belastingvermeerdering zal altijd toegepast worden, ook als 0,5% van de belasting of een bedrag van 50 euro niet wordt overschreden.
(wijziging art. 218, WIB 1992; art. 57, wet hervorming Ven.B.)

Investeringsaftrek

Het tarief van de gewone investeringsaftrek in de vennootschapsbelasting stijgt van 8% tot 20%. Deze verhoging geldt enkel voor de vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht tussen 1 januari 2018 en 31 december 2019.
(aanvulling art. 201, § 1, eerste lid, 1°, WIB 1992; art. 43, wet hervorming Ven.B.)

Notionele interestaftrek

De berekeningsbasis voor de notionele interestaftrek (aftrek voor risicokapitaal) wordt hervormd. Vanaf het aj. 2019 wordt daarbij nog enkel rekening gehouden met de aangroei van het eigen vermogen (het zgn. ‘incrementeel kapitaal’).
(wijziging art. 205ter, § 1 en § 2, WIB 1992; art. 49, wet hervorming Ven.B.)

Vrijstelling meerwaarden op aandelen

Opdat de meerwaarden op aandelen in de vennootschapsbelasting volledig zouden vrijgesteld zijn, moeten voortaan alle voorwaarden voor de DBI-aftrek vervuld zijn, ook de zgn. participatievoorwaarde. Deze voorwaarde houdt in dat de aandelen die worden vervreemd een deelneming moeten vertegenwoordigen van ten minste 10%, of een aanschaffingswaarde moeten hebben van ten minste 2.500.000 euro (art. 202, § 2, 1°, WIB 1992).
(wijziging art. 192, § 1, eerste lid, WIB 1992; art. 24, wet hervorming Ven.B.)
Vanaf het aj. 2021 wordt het tarief van 25% afgeschaft voor aandelen die niet aan de permanentie- of participatievoorwaarde voldoen.
(opheffing punt 2°, art. 217, WIB 1992; art. 55, wet hervorming Ven.B.)

Kapitaalverminderingen

Tot eind 2017 kon gestort kapitaal onder bepaalde voorwaarden, zonder inhouding van roerende voorheffing aan de aandeelhouders worden terugbetaald. Dit op voorwaarde dat de terugbetaling het gevolg was van een regelmatige beslissing tot vermindering van het maatschappelijk kapitaal volgens het W.Venn. Er gold daarbij een speciale regeling voor reserves die in 2013 of 2014 werden vastgeklikt in het kapitaal.
De ‘wet tot hervorming van de vennootschapsbelasting’ heeft de regels voor kapitaalverminderingen echter grondig gewijzigd.
Zo zal vanaf 1 januari 2018 voor kapitaalverminderingen die beslist worden door de algemene vergadering, een kapitaalvermindering slechts proportioneel worden aangerekend op het gestort kapitaal. Wanneer er vastgeklikte reserves in het kapitaal zitten, moet de kapitaalvermindering dus eerst daarop worden aangerekend. Pas als die volledig zijn uitgekeerd, moet de proportionele aanrekening worden toegepast.
(wijziging art. 18 en art. 264, WIB 1992; art. 4 en art. 68, wet hervorming Ven.B.)

Voorzieningen

Voorzieningen die zijn aangelegd in een boekjaar dat ten vroegste start op 1 januari 2018 komen enkel nog voor vrijstelling in de vennootschapsbelasting in aanmerking als ze voortvloeien uit:
  • verbintenissen die door de onderneming zijn aangegaan gedurende het belastbaar tijdperk of een van de voorgaande belastbare tijdperken;
  • wettelijke of reglementaire verplichtingen, andere dan de verplichtingen die louter voortvloeien uit de toepassing van een boekhoudkundige of jaarrekeningrechtelijke reglementering.
Deze nieuwe regels gelden niet voor voorzieningen of toevoegingen aan voorzieningen die zijn aangelegd in boekjaren vóór 1 januari 2018 (art. 85 C, vierde lid, wet hervorming Ven.B.).
(wijziging art. 194, WIB 1992; art. 29, wet hervorming Ven.B.)

Vooruitbetaalde kosten

Vanaf het aanslagjaar 2019 zijn de kosten die werkelijk zijn betaald of gedragen, of het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt in het belastbare tijdperk, en die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een toekomstig belastbaar tijdperk, slechts als beroepskosten aftrekbaar in het belastbare tijdperk waarin ze ofwel zijn betaald of gedragen, ofwel als schuld zijn geboekt, alsmede in de volgende belastbare tijdperken, in verhouding tot het gedeelte van die kosten dat betrekking heeft op dat belastbare tijdperk.
(nieuw art. 195/1, WIB 1992); art. 37, wet hervorming Ven.B.)

Investeringsreserve

De laatste keer dat er een investeringsreserve kan worden aangelegd is voor het aanslagjaar 2018, nl. voor een boekjaar dat ten laatste afsluit op 30 december 2018.
Daarna wordt de investeringsreserve afgeschaft.
(wijziging § 1, art. 194quater, WIB 1992 en opheffing art. 194quater, WIB 1992; art. 31, 1° en 2°, wet hervorming Ven.B.).

Inschakelingsbedrijven

De wet van 25 december 2017 hervormt het voordelig fiscaal stelsel van de inschakelingsbedrijven.
Dit stelsel wordt als volgt gewijzigd:
  • de vrijstelbare winst is nu beperkt tot de loonkosten van de in België tewerkgestelde werknemers van de doelgroep, met een minimum van 7.440 euro (basisbedrag) per werknemer;
  • het gedeelte van de winst dat al vrijgesteld is van Ven.B., omdat het voortkomt van gewestelijke premies inzake tewerkstelling, komt niet langer ook nog eens voor deze vrijstelling in aanmerking;
  • inschakelingsbedrijven kunnen geen aftrekken voor bijkomend personeel (art. 67, § 1 en § 2, art. 67bis en art. 67ter, § 1 en § 2, WIB 1992) meer toepassen in een boekjaar dat ze deze vrijstelling toepassen.
De vrijstelling van de winst wordt slechts verleend en behouden indien:
  • ze op een afzonderlijke rekening van het passief van de balans geboekt is en blijft;
  • ze niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enige beloning of toekenning.
(nieuw art. 193quater, WIB 1992; art. 25-26 en art. 27, wet hervorming Ven.B.)

Wijziging volgorde aftrekposten

De verschillende aftrekposten in de vennootschapsbelasting moeten in een bepaalde volgorde worden toegepast.
Vanaf het aanslagjaar 2019 worden die aftrekposten verdeeld in twee ‘korven’:
  • de eerste korf bestaat uit de volgende achtereenvolgens toe te passen aftrekken: de niet-belastbare bestanddelen, de DBI-aftrek van het boekjaar zelf, de octrooi-aftrek, de innovatie-aftrek, en de investeringsaftrek;
  • de tweede korf bestaat uit de volgende achtereenvolgens toe te passen aftrekken: de notionele interestaftrek van het jaar zelf, de overgedragen DBI-aftrek, de overgedragen innovatie-aftrek, de overgedragen fiscale verliezen, de onbeperkt overdraagbare notionele interestaftrek en de in principe 7 jaar overdraagbare oude notionele interestaftrek.
Er worden ook twee nieuwe aftrekbeperkingen ingevoerd (wijziging zevende en achtste lid, art. 207, WIB 1992).

Minimumwinst bij niet-aangifte of laattijdige aangifte

Bij niet-aangifte of bij laattijdige overlegging van de aangifte kan de fiscus de belasting voor de vennootschappen of vrije beroepers vestigen op een forfaitaire minimumwinst.
Vanaf het aj. 2019 wordt die forfaitaire minimumwinst verhoogd tot 34.000 euro (19.000 euro voor aj. 2018; 40.000 euro vanaf aj. 2021).
Vanaf het aj. 2022 wordt dit bedrag geïndexeerd.
Dit bedrag wordt bij herhaalde inbreuken verhoogd volgens een schaal waarvan de trappen, gaande van 25% tot 200%, bij KB zullen vastgesteld worden.
(nieuwe § 4, art. 342, WIB 1992; art. 74, wet hervorming Ven.B.).

Nalatigheids- en moratoriuminteresten

Het tarief van de nalatigheidsinteresten (te betalen door de belastingplichtige) en van de moratoriuminteresten (te betalen door de fiscus) bedroeg 7% tot en met 31 december 2017.
Sinds 1 januari 2018 wordt het tarief van de nalatigheidsinteresten bepaald op basis van de interestvoet voor OLO’s op 10 jaar, met een minimum van 4% en een maximum van 10%. Het tarief van de moratoriuminteresten is gelijk aan het tarief van de nalatigheidsinteresten min 2%-punt.
(wijziging eerste lid, nieuw tweede lid en nieuw derde lid, § 1, art. 414, WIB 1992; art. 77, wet hervorming Ven.B.)
(wijziging art. 418, WIB 1992; art. 79, wet hervorming Ven.B.)
Voor aanslagen die worden ingekohierd vanaf 1 januari 2018 zijn er nu pas moratoriuminteresten verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand na die waarin de fiscus in gebreke werd gesteld door een aanmaning of een andere daarmee gelijkstaande akte. Er worden geen moratoriuminteresten toegekend wanneer de administratie redelijkerwijze in de onmogelijkheid verkeerde om de terugbetaling te voldoen, omwille van onder meer de afwezigheid van gegevens over de identiteit of de bankgegevens van de begunstigde of begunstigden en dit, tijdens de periode die zich uitstrekt van de eerste dag van de maand volgend op deze waarin de terugbetaling zou moeten zijn voldaan indien de administratie over de noodzakelijke gegevens had beschikt tot het einde van de tweede maand volgend op deze waarin de ingebrekestelling werd verstuurd aan de administratie, en op voorwaarde dat deze onmogelijkheid ophield te bestaan.
(art. 419, eerste lid, nieuw punt 6°, WIB 1992; art. 80, wet hervorming Ven.B.)

Hybride mismatches

Om de erosie van de belastbare grondslag van de vennootschappen die veroorzaakt wordt door hybride mismatches te beperken, worden volgende richtlijnen omgezet in Belgisch recht:
  • een deel van de ATAD-richtlijn (Anti Tax Avoidance Directive), en
  • de ‘ATAD 2-richtlijn’. Deze richtlijn vervangt de maatregelen waarin de ATAD-richtlijn voorzag, door maatregelen die uitgebreid zijn tot meerdere vormen van hybride mismatches en ook tot hybride mismatches die gebruik maken van vaste inrichtingen, en tot hybride mismatches met derde landen.
‘Hybride mismatches’ zijn regelingen die aanleiding geven tot aftrekbare kosten in hoofde van meerdere belanghebbenden of in hoofde van één enkele belanghebbende, maar zonder dat er in dit geval met die uitgaven inkomsten overeenstemmen die opgenomen zijn in de belastbare inkomsten van de ontvanger.
(nieuwe punten 16°, 17° en 18°, § 1, art. 2; nieuw tweede, derde en vierde lid, § 1, en nieuwe § 2/1, art.185; wijziging § 1, art. 198; nieuw derde lid, art. 292, WIB 1992; art. 3, art. 18, art. 39 en art. 73, wet hervorming Ven.B.)

Kunstmatige constructies en grensoverschrijdende overdrachten

De ‘wet van 25 december 2017’ bevat ook een regeling:
  • voor kunstmatige constructies met buitenlandse vennootschappen in belastingparadijzen, en
  • voor grensoverschrijdende overdrachten vanaf 1 januari 2019.
(nieuw art. 185/2 en nieuw punt 4°, § 1, art. 202, WIB 1992; art. 20 en art. 44, wet hervorming Ven.B.)
(wijziging art. 184ter, nieuw art. 185/1, wijziging art. 229 en art. 413/1, WIB 1992; art. 17, art. 19, art. 61 en art. 76, wet hervorming Ven.B.)

Fiscale consolidatie (groepsbijdrageregeling)

Vanaf het aj. 2019 kunnen verbonden vennootschappen een verlies van het boekjaar van elkaar afkopen door een vergoeding voor een zgn. groepsbijdrage te betalen.
Er werd gekozen voor een stelsel waarbij twee groepsvennootschappen met elkaar een overeenkomst kunnen sluiten waarbij het verlies van het tijdperk van de ene vennootschap kan worden overgedragen aan de andere vennootschap.
Een belangrijke voorwaarde voor de toepassing van deze consolidatiemethode is dus dat er tussen twee vennootschappen een overeenkomst moet zijn gesloten, die aangeeft dat beide partijen hebben ingestemd met de transactie. Er werd geopteerd voor een evenwichtig stelsel, waarbij de rechten van de verschillende vennootschappen, de aandeelhouders van deze vennootschappen evenals de schuldeisers van deze vennootschappen worden gevrijwaard. Het stelsel werd zo geconcipieerd dat er tussen de overeenkomst sluitende vennootschappen geen vermogensoverdracht kan plaatsvinden.
Het gebrek aan vermogensoverdracht zorgt er niet alleen voor dat de rechten van de eventueel aanwezige minderheidsaandeelhouders of schuldeisers niet geschonden worden, maar ook dat de groepsbijdrage van de ene vennootschap naar de andere niet kan beschouwd worden als een dividenduitkering.
De vermogensneutraliteit wordt gewaarborgd doordat de verlieslijdende vennootschap wordt vergoed voor de vermindering van het overdraagbaar beroepsverlies met een equivalente vergoeding door de vennootschap die dit verlies van haar winst kan aftrekken.
De vergoeding die in functie van de uitvoering van de overeenkomst wordt overeengekomen wordt fiscaal geneutraliseerd, door deze bij de betaler niet als een beroepskost aan te merken en bij de ontvanger deze vrij te stellen van de belastbare grondslag.
(nieuw art. 194septies, art. 198, § 1, nieuw punt 15°/1 en nieuw art. 205/5 WIB 1992; art. 36, art. 39, 9° en art. 48, wet hervorming Ven.B.)

Geheime commissielonen

Vanaf het aj. 2021 zal het tarief voor verdoken meerwinsten niet meer tot 50% kunnen verminderd worden als die meerwinsten in een later jaar in de boekhouding worden opgenomen. Er zal vanaf dan ook geen boete meer worden toegepast wanneer de belastingplichtige aantoont dat het bedrag van de kosten, bedoeld in artikel 57, of van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, begrepen is in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte.
De geheimecommissielonenaanslag zal vanaf het aj. 2021 niet langer aftrekbaar als beroepskost.
(wijziging tweede lid en opheffing vierde lid, art. 219; art. 58, wet hervorming Ven.B.)
(wijziging vijfde lid, § 1, art. 445, WIB 1992; art. 81, wet hervorming Ven.B.)
(wijziging punt 1°, § 1, art. 198, WIB 1992; art. 39, wet hervorming Ven.B.)

Afschrijvingen

De afschrijvingsregels voor activa verkregen of tot stand gebracht vanaf 1 januari 2020, wijzigen.
(art. 196, wijziging § 2 en nieuwe § 3 en § 4, WIB 1992; art. 38, wet hervorming Ven.B.).

Autokosten

Vanaf het aj. 2019 worden autokosten die aan derden doorgerekend zijn, en die uitdrukkelijk en afzonderlijk op de factuur worden vermeld, beperkt bij de derde (en dus niet meer bij diegene die de kosten doorrekent).
(art. 66, § 2, nieuw 4° WIB 1992; art. 11, 3°, wet hervorming Ven.B.).
Vanaf het aj. 2021 zal de aftrekbeperking van de kosten van personenauto’s worden berekend met de volgende formule: 120% - (0,5% x een coëfficiënt x aantal gram CO2 per kilometer).
De coëfficiënt is 1 voor auto’s met een dieselmotor, 0,90 voor auto’s met een aardgasmotor en een belastbaar vermogen van minder dan 12 fiscale pk, en is 0,95 voor alle andere auto’s, dus auto’s met een benzinemotor en elektrische auto’s. De formule geldt wel niet voor auto’s met een CO2-uistoot van 200 gram of meer per kilometer, waarvoor het aftrekbaar gedeelte van de kosten forfaitair bepaald wordt op 40%.
Het aftrekbaar gedeelte van de kosten voor auto’s waarvoor de formule wel moet worden gebruikt, mag niet lager zijn dan 50% en niet hoger dan 100%. De kosten van elektrische auto’s zullen dus niet langer voor 120% aftrekbaar zijn.
Ook het aftrekbaar gedeelte van de brandstofkosten moet vanaf het aj. 2021 volgens deze nieuwe formule worden vastgesteld.
Voor sommige plug-in-hybrides zal vanaf het aj. 2021 geen rekening meer worden gehouden met de CO2-uitstoot volgens het inschrijvingsbewijs (uitgezonderd voor plug-in-hybrides aangekocht vóór 1 januari 2018).
(art. 66, wijziging § 1, WIB 1992; art. 11, 1° en 2°, wet hervorming Ven.B.)

DBI-aftrek

De DBI- aftrek wordt verhoogd van 95% naar 100%.
(wijziging art. 205, § 3, WIB 1992; art. 46, wet hervorming Ven.B.)

Vrijstelling van doorstorting BV

Vanaf het aj. 2019 wordt de vrijstelling van bedrijfsvoorheffing (BV) voor onderzoek en ontwikkeling uitgebreid naar onderzoekers met een bachelorsdiploma. Die vrijstelling bedraagt 40% van de BV voor bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 1 januari 2018.
Het totale bedrag van de vrijstelling voor bachelors is beperkt tot 25% van de totale vrijstelling voor de onderzoekers met masterdiploma’s. Voor kleine vennootschappen bedraagt deze vrijstelling 50% van de totale vrijstelling voor de onderzoekers met masterdiploma’s.
Vanaf het aj. 2021 wordt de vrijstelling van doorstorting van BV voor onderzoekers met een bachelorsdiploma verhoogd van 40% naar 80% voor bezoldigingen die vanaf 1 januari 2020 worden betaald of toegekend.
(wijziging art. 275(3), WIB 1992; art. 71, wet hervorming Ven.B.)
Zie ook:
Christine Van Geel
Wolters Kluwer
  1713