Juridische gevolgen van het mobiliteitsbudget

Wet betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget

Het mobiliteitsbudget biedt vanaf 1 maart 2019 een duurzaam alternatief voor de bedrijfswagen via drie pijlers: een milieuvriendelijke bedrijfswagen, duurzame vervoermiddelen en het saldo van het budget dat in geld wordt uitbetaald.

We bekijken kort de juridische kant van de zaak in 10 punten:

1/ Het mobiliteitsbudget kan in principe niet gecombineerd worden met de fiscale vrijstellingen van woon-werkvergoedingen, ook niet met de vrijstelling van de fietsvergoeding en/of de ter beschikkingstelling door de werkgever van een bedrijfsfiets voor woon-werkverplaatsingen (uitzondering voor werknemer die al beschikte over een bedrijfswagen en tegelijkertijd een verplaatsingsvergoeding of een fietsvergoeding ontving).

2/ Het mobiliteitsbudget is gebonden aan de functie van de werknemer. Zodra deze een functie uitoefent waarvoor hij geen recht meer heeft op een bedrijfswagen, heeft hij ook geen recht meer op een mobiliteitsbudget. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld ook voor de mobiliteitsvergoeding.

3/ Het uitgangspunt voor het budget is de totale jaarlijkse bruto kostprijs voor de werkgever van de financiering en het gebruik van een bedrijfswagen (total cost of ownership), desgevallend na aftrek van de eigen bijdrage van de werknemer.
Het mobiliteitsbudget evolueert mee met de functie van de werknemer (promotie of functiewijziging naar een hoger budget en omgekeerd) wanneer de werknemer tot een functiecategorie behoort waarvoor het loonsysteem in een hoger of lager budget voorziet.

4/ Het mobiliteitsbudget wordt niet geïndexeerd zoals het loon zelf (niet onderworpen aan de index), maar een andere wijze van aanpassing is mogelijk als dat zo wordt overeengekomen tussen werkgever en werknemers (nooit hoger dan loonindex).

5/ De toekenning van het budget kent geen enkel recht toe aan de werknemer, behalve de toekenning ervan en de gelijke behandeling met het voordeel van het privégebruik van de bedrijfswagen.

5/ Een collectieve arbeidsovereenkomst kan voorzien in gunstigere bepalingen voor de werknemers, met uitzondering van rechten op het gebied van sociale zekerheid of jaarlijkse vakantie en zonder dat dit mag leiden tot een wijziging van de ten aanzien van de RSZ te vervullen administratieve formaliteiten.

6/ De toekenning van het mobiliteitsbudget mag niet rechtstreeks of onrechtstreeks gekoppeld geweest zijn aan een gehele of gedeeltelijke vervanging of omzetting van bestaande voordelen. De werknemer kan bijvoorbeeld wel van het ene naar het andere stelsel overstappen. Een vervanging of omzetting (geheel of gedeeltelijk) van de bedrijfswagen zelf is ook mogelijk (ook voordelen die het niet aanvaarden van een bedrijfswagen compenseren).

7/ De overeenkomst die beide partijen moeten sluiten over het mobiliteitsbudget is een ‘sociaal document’ (KB nr. 5 van 23 oktober 1978). Daarbij aansluitend wordt ook het Sociaal Strafwetboek aangepast zodat de sociale inspectie eventuele inbreuken kan vaststellen en bestraffen.

8/ Het mobiliteitsbudget (saldo) wordt toegevoegd aan de voordelen met uitdrukkelijke wettelijke uitsluiting uit het loonbegrip dat dient als basis voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen.

9/ De RSZ-wet verbiedt elk onderscheid bij het toekennen van aanvullende voordelen tussen werknemers die behoren tot eenzelfde categorie. Maar het mobiliteitsbudget valt niet te catalogeren als een aanvulling bij een van de socialezekerheidsvoordelen. Om te zorgen voor rechtszekerheid, wordt dat nu ook uitdrukkelijk ingeschreven in de wet.

10/ Het gedeelte van het mobiliteitsbudget dat aan de werknemer wordt uitbetaald (pijler 3), wordt onderworpen aan een bijzondere bijdrage van 38,07%. Dat percentage komt overeen met de som van de sociale bijdrage van de werkgever (25 %) én de werknemers (13.07 %) op het gewone loon (ontmoedigend effect). Het gedeelte dat in geld wordt uitbetaald, wordt geacht deel uit te maken van de berekeningsbasis voor de uitkeringen in de diverse takken van de sociale zekerheid.

Bron: Wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget, BS 29 maart 2019.
Zie ook
Koninklijk besluit van 21 maart 2019 tot uitvoering van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget, BS 29 maart 2019.
Wet van 17 maart 2019 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de mobiliteitsvergoeding, BS 29 maart 2019.
Laure Lemmens
Wolters Kluwer
  71