Inkomensgarantie voor ouderen: Grondwettelijk Hof vernietigt voorwaarde van ‘werkelijk verblijf in België’

Wet tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen

De inkomensgarantie voor ouderen (IGO) is een bijstandsregeling voor personen die de wettelijke pensioenleeftijd bereiken en die niet over voldoende financiële middelen beschikken (residuair stelsel). De garantie is gekoppeld aan heel wat voorwaarden.

Sinds 1 september 2017 geldt bovendien een bijkomende toekenningsvoorwaarde voor elke IGO die vanaf dat moment wordt toegekend: de IGO-gerechtigde moet zijn hoofdverblijfplaats in België hebben ‘en gedurende ten minste tien jaar, waarvan ten minste vijf jaar ononderbroken, een werkelijk verblijf in België gehad hebben’. Dit ‘werkelijk verblijf in België’ wordt bepaald op basis van informatiein het Rijksregister.

De gerechtigde moet nog steeds zijn hoofdverblijfplaats in België hebben – dat werd ook niet betwist. Maar de vereiste van ‘werkelijk verblijf in België’ en de verwijzing naar het Rijksregister (in artikel 4, tweede lid en derde lid van de wet van 22 maart 2001) worden vernietigd door het Grondwettelijk Hof.

Beroep tot vernietiging

Het beroep tot vernietiging werd ingesteld door de vzw “Ligue des Droits de l’Homme”. De vzw wijst onder andere op de Verordening (EG) nr. 883/2004 over de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels. En op de aanzienlijke vermindering van het niveau van bescherming inzake maatschappelijke dienstverlening.

Het Grondwettelijk Hof stelt dat de wetgever het voordeel van het IGO-stelsel afhankelijk mag stellen van het bestaan van een voldoende sterke band met België (niet-contributieve karakter van het stelsel) en dat het streven naar het beheersen van de budget een legitiem doel is. Maar men moet er ook rekening mee houden dat de IGO een minimumvoorziening is voor de mindergegoeden, aldus het Hof.

Volgens het Grondwettelijk Hof valt er niet in te zien in welk opzicht de voorwaarde van een werkelijk verblijf (tien jaar in België, waarvan vijf jaar ononderbroken) in om het even welke fase van het leven van de IGO-gerechtigde, een voldoende band met België en zijn sociale stelsel aantoont, toelaat ‘sociale shopping’ tegen te gaan, of aantoont dat de gerechtigde met zijn activiteit heeft bijgedragen aan de financiering van de sociale zekerheid, zoals de wetgever het wenste. Bovendien is er ook sprake van andere factoren bij de verhoging van de budgettaire kosten, zoals de vergrijzing en de gewijzigde pensioenwetgeving.

Het Grondwettelijk besluit dat de door de bestreden bepaling veroorzaakte aanzienlijke vermindering van het geboden beschermingsniveau niet wordt verantwoord door redenen die verband houden met het algemeen belang.
Daarbij komt nog dat men ook rekening moet houden met Verordening (EG) nr. 883/2004. De bestreden bepaling neemt, zonder onderscheid naar gelang van de gerechtigden, de in een andere EU-lidstaat vervulde tijdvakken van wonen niet in aanmerking (en dus is ook in dat opzicht de aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau niet te verantwoorden).

Steven Bellemans
  265