Informatieplicht voor vastgesteld en geïnventariseerd onroerend goed (art. 4.1.1 e.v. Onroerederfgoedbesluit)

De Vlaamse overheid breidt de rechtsbescherming van het geïnventariseerd bouwkundig erfgoed uit naar 4 andere onroerenderfgoedinventarissen. Ze koppelt ook nieuwe rechtsgevolgen aan de inventarisatie. Bovendien krijgen eigenaars, vastgoedmakelaars en notarissen een bijkomende meldplicht.

Inventarisatie, vaststelling en bescherming

Elk onroerenderfgoedrelict kan 4 vormen van ‘bescherming’ genieten. Het kan gaan om een geïnventariseerd onroerend goed, een vastgesteld onroerend goed, een voorlopig beschermd onroerend goed, of een definitief beschermd onroerend goed. Aan elk type van bescherming zijn er andere rechtsgevolgen verbonden.

Geïnventariseerd onroerend erfgoed is opgenomen in een wetenschappelijke inventaris. De inventarisatie heeft géén rechtsgevolgen. Ze betekent enkel dat het goed gedocumenteerd is. Inventarisatie is meestal de eerste stap naar vaststelling.

Vastgesteld onroerend erfgoed is opgenomen in een inventaris én heeft een juridische procedure, met openbaar onderzoek, doorlopen. De overheid, de eigenaar en de beheerder van vastgesteld onroerend erfgoed moeten rekening houden met bepaalde rechtsgevolgen.

Beschermd onroerend erfgoed doorloopt eveneens een juridische procedure. Die is zwaarder dan bij een loutere vaststelling. De rechtsgevolgen zijn dan ook groter. De bescherming verloopt in 2 fazen: eerst een voorlopige, later eventueel een definitieve bescherming.

Naar 5 vast te stellen inventarissen

Het Agentschap Onroerend Erfgoed heeft meerdere wetenschappelijke inventarissen opgesteld. Zo bestaat er bijvoorbeeld een inventaris van het bouwkundig erfgoed, van de historische orgels, van het wereldoorlogerfgoed, enz.

Van al deze inventarissen moet de minister, op aangeven van het Agentschap, er minstens 5 geheel of gedeeltelijk vaststellen. Die 5 zijn:

  • de inventaris van het bouwkundig erfgoed. Dat is momenteel de enige inventaris die al elk jaar wordt vastgesteld. Weliswaar zonder openbaar onderzoek. In deze inventaris zijn opmerkelijke gebouwen opgenomen, kapellen, ateliers, monumentale beeldhouwwerken, straatmeubilair, enz.;
  • de Landschapsatlas. Het Onroerenderfgoeddecreet beschrijft de Landschapsatlas als: “de inventaris van de relicten van de traditionele landschappen waarin de landschapskenmerken weergegeven worden als ze een erfgoedwaarde hebben”. De huidige Landschapsatlas maakt een onderscheid tussen ankerplaatsen – de meest waardevolle landschappen – en andere landschappen en landschapselementen, maar het begrip ‘ankerplaats’ werd uit het recht geschrapt. De inventaris moet dus grondig bijgewerkt worden;
  • de inventaris van de archeologische zones. Een archeologische zone is een zone, waar, op basis van waarnemingen en wetenschappelijke argumenten, onderbouwd kan worden dat de zone met hoge waarschijnlijkheid, archeologische waarde heeft. Wie grote werken wil uitvoeren in een archeologische zone, is verplicht om een archeologisch vooronderzoek, al dan niet gevolgd door archeologische opgravingen, te laten uitvoeren. De inventaris van de archeologische zones moet nog volledig ingevuld worden;
  • de inventaris van de houtige beplantingen met erfgoedwaarde. Deze inventaris repertorieert bijzondere bomen en struiken, die zeer oud zijn, zeer groot, buitengewoon zeldzaam, of die een historische betekenis hebben. Zoals knoteikenrijen bij oude hoeves of kapellindes. Op dit ogenblik is alleen nog maar de gemeente Zwalm in Oost-Vlaanderen geïnventariseerd;
  • de inventaris van de historische tuinen en parken. De wetenschappelijke inventaris van de tuinen en parken zou vanaf deze maand volledig online moeten staan, maar de provincies Antwerpen en Limburg ontbreken nog, en ook West-Vlaanderen is verre van volledig.

De wetenschappelijke inventarissen worden door de minister officieel ‘vastgesteld’ na een openbaar onderzoek, waarin elke burger opmerkingen kan formuleren over zogenaamde ‘feitelijkheden’. Dat zijn volgens het agentschap: fouten in het gegeorefereerd plan, in de naam van het goed, of in de erfgoedkenmerken: typologie, stijl, cultuur of datering, materiaal, biologische soort, thema,… Het openbaar onderzoek wordt geregeld in het Onroerenderfgoeddecreet zelf. Het Onroerenderfgoedbesluit focust op de criteria voor opname in de inventaris en op de algemene rechtsgevolgen die aan een opname in een vastgestelde inventaris verbonden zijn.

Criteria voor opname in een inventaris

Een onroerend goed (of een geheel van onroerende goederen, zoals een stads- of dorpsgezicht) kan worden opgenomen in één van de vastgestelde inventarissen (m.u.v. de vastgestelde inventaris van de archeologische zones) als:

  • het één of meer erfgoedwaarden bezit; én
  • voldoende goed bewaard is.

Een archeologische zone wordt opgenomen in de vastgestelde inventaris van de archeologische zones als:

  • de zone waarschijnlijk voldoende goed bewaard is.

Een onroerend goed moet uit de vastgestelde inventaris geschrapt worden als het niet langer erfgoedwaarde bezit of als het niet langer voldoende goed bewaard is. In de huidige inventaris van het bouwkundig erfgoed zitten ook gegevens en oude foto’s van bouwkundig erfgoed dat inmiddels grondig verbouwd of gesloopt is. Bij de jaarlijkse vaststelling van de inventaris moeten die grondig verbouwde en gesloopte items er dus uit gefilterd worden.

Een archeologische zone wordt uit de inventaris geschrapt als blijkt dat ze niet voldoende goed bewaard is.

De minister zal bij ministerieel besluit nog de wijze vastleggen waarop onroerend goed geïnventariseerd wordt. Die methodologie zal minstens bestaan uit:

  • de wijze waarop de erfgoedwaarden worden beschreven; en
  • het afwegingskader dat gebruikt wordt om een onroerend goed te waarderen. Voor alle vastgestelde inventarissen, m.u.v. van die van de archeologische zones, omvat dat afwegingskader minstens de volgende 5 selectiecriteria:
    • zeldzaamheid;
    • herkenbaarheid;
    • representativiteit;
    • ensemblewaarde; en
    • contextwaarde.

Informatieplicht, zorgplicht en motiveringsplicht

Aan de opname van een onroerend goed in een vastgestelde inventaris zijn 3 algemene rechtsgevolgen verbonden. Naargelang het type van inventaris zijn aan de vaststelling ook nog specifieke rechtsgevolgen gebonden.

De 3 algemene rechtsgevolgen zijn:

  • de informatieplicht, die onder meer van toepassing is op vastgoedmakelaars, notarissen, verkopers, verhuurders, opstalgevers en erfpachtgevers;
  • de zorgplicht, die alleen van toepassing is op administratieve overheden; en
  • de motiveringsplicht, die ook enkel voor administratieve overheden geldt.

Iedereen die – voor eigen rekening of als tussenpersoon – een vastgesteld onroerenderfgoedrelict verkoopt, verhuurt voor meer dan 9 jaar, inbrengt in een vennootschap, er een erfpacht of opstalrecht op overdraagt, of die op een andere wijze een eigendomsoverdracht met een vergeldend karakter van het goed bewerkstelligt, is verplicht om in de onderhandse of authentieke akte:

Elke administratieve overheid is bij decreet verplicht om zo veel mogelijk zorg te dragen voor de erfgoedkenmerken van onroerende goederen die opgenomen zijn in een (aan een openbaar onderzoek onderworpen) vastgestelde inventaris.

De decreetgever benadrukt hier dat het moet gaan om een – aan een openbaar onderzoek – onderworpen vastgestelde inventaris. Immers, de inventaris van het bouwkundig erfgoed wordt wel al elk jaar vastgesteld, maar werd tot nu nog nooit aan een openbaar onderzoek onderworpen. De zorgplicht geldt dus niet voor het vastgestelde bouwkundig erfgoed zolang dat niet in openbaar onderzoek is gegaan.

De administratieve overheid is bovendien verplicht om in al haar beslissingen die betrekking hebben op een eigen werk of activiteit die een directe impact heeft op een vastgesteld onroerenderfgoedrelict, aan te geven hoe ze rekening heeft gehouden met haar zorgplicht. De motiveringsplicht geldt dus alleen voor eigen handelingen en werken van de administratie. Het Onroerenderfgoedbesluit verduidelijkt dat de administratie in dat geval in haar beslissing moet aangeven:

  • welke vastgestelde onroerenderfgoedrelicten een directe impact ondervinden; en
  • welke maatregelen de administratie heeft genomen om uitvoering te geven aan haar zorgplicht.

De administratieve overheid heeft in elk geval voldaan aan haar motiveringsplicht als zij een milieueffectenrapport heeft laten opmaken, of als er een milieueffectenbeoordeling heeft plaatsgevonden over de erfgoedwaarden.

Onder de administratieve overheden die onderworpen zijn aan de zorg- en motiveringsplicht, vallen overigens niet alleen de gewestelijke overheden, maar ook de federale overheidsbedrijven (zoals Belgacom), de openbare instellingen die van het Vlaamse Gewest afhangen, de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die belast zijn met taken van openbaar nut, en de andere besturen die onderworpen zijn aan het administratief toezicht van het Vlaamse Gewest – m.a.w. de lokale besturen – steden, gemeenten en provincies.

Naast deze algemene rechtsgevolgen zijn er aan elke inventaris ook specifieke rechtsgevolgen verbonden, die in ándere decreten en besluiten werden opgenomen. Zo bestaan er bijvoorbeeld soepeler energieprestatieregels voor vastgesteld bouwkundig erfgoed.

Vanaf 1 januari 2015?

Het Onroerenderfgoeddecreet en het Onroerenderfgoedbesluit treden op 1 januari 2015 in werking. Het is echter nu al duidelijk dat de 5 wetenschappelijke inventarissen tegen die datum niet klaar zullen zijn. Laat staan dat de vaststellingsprocedure zou afgerond zijn…

Bron:Besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 betreffende de uitvoering van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, BS 27 oktober 2014 (Onroerenderfgoedbesluit).

Carine Govaert

Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de uitvoering van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013

Afkondigingsdatum : 16/05/2014
Publicatiedatum : 27/10/2014

Gepubliceerd op 04-11-2014

  318