Grondwettelijk Hof vernietigt verhoging jaarlijkse taks op kredietinstellingen

De verhoging van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen die de ‘wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen’ voor 2013 heeft opgelegd, mag niet doorgevoerd worden. Dat besliste het Grondwettelijk Hof na een klacht van de nv Argenta Spaarbank en anderen.

Verhoging jaarlijkse taks op kredietinstellingen

De ‘wet van 17 juni 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling’ trok het tarief van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen (abonnementstaks) op van 0,08% tot 0,0965% met ingang van 1 januari 2013, waarna ze het tarief met ingang van 1 januari 2014 liet dalen tot 0,0925% (wijziging art. 161ter, 2°, W.Succ. (Vl.); art. 106, wet van 17 juni 2013).

De ‘wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen’ trok deze taks, die de kredietinstellingen betalen als compensatie voor de belastingvrijstelling op het vrijgestelde gedeelte van de spaardeposito’s, echter nog eens op van 0,0965% tot 0,12% vanaf 1 januari 2013, en van 0,0925% tot 0,1929% vanaf 1 januari 2014 (wijziging art. 161ter, 2°, W.Succ. Vl.; art. 70 en art. 73, wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen).

Voor de specifieke situatie van 2013 voerde de wet van 30 juli 2013 een overgangsmaatregel in. Aangezien de wet van 17 juni 2013 de taks had verhoogd die de kredietinstellingen voor 2013 waren verschuldigd, mochten zij de betaling uiterlijk aanvullen op 30 september 2013 (art. 71, 1° en art. 74, wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen). In principe moet de taks op 31 maart van het aanslagjaar betaald zijn.

Vernietigingsverzoek

Volgens de verzoekende partijen schenden de artikelen 70, 1°, 71, 73, eerste lid, en 74 van de wet van 30 juli 2013 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel, met het beginsel van niet-retroactiviteit van de wet en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens) omdat de verhoging van de abonnementstaks van toepassing zou zijn op het bedrag van de spaardeposito’s op 31 december 2012 en opeisbaar zou zijn op 1 januari 2013.

Een fiscaalrechtelijke regel kan slechts als retroactief worden gekwalificeerd als hij van toepassing is op feiten, handelingen en toestanden die definitief waren voltrokken op het ogenblik dat hij werd bekendgemaakt.

Volgens artikel 73 van de wet van 30 juli 2013 heeft de verhoging van het tarief van de abonnementstaks tot 0,12% uitwerking gehad vanaf 1 januari 2013. De abonnementstaks wordt geheven op “een quotiteit van het totaal bedrag van de in artikel 21, 5°, van het WIB 1992 bedoelde spaardeposito’s op 1 januari van het aanslagjaar” (art. 161bis, § 4, W.Succ. Vl.).

De verhoging van het tarief van de abonnementstaks vanaf 1 januari 2013 is van toepassing op een toestand die definitief voltrokken is. Het totaalbedrag van de in artikel 21, 5° van het WIB 1992 bedoelde spaardeposito’s ligt immers reeds vast op die datum.

Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 71 van de ‘wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen’, dat als overgangsregel een betaling van de jaarlijkse taks op uiterlijk 30 september 2013 gelijkschakelt met een betaling op 31 maart 2013, blijkt overigens dat de wetgever zich bewust was van het feit dat de tariefverhoging dateerde van na het ogenblik waarop de taks betaald moest zijn. Het bestreden artikel 73, eerste lid, van de wet van 30 juli 2013 verleent dus terugwerkende kracht aan het bestreden artikel 70, 1°, van die wet.

De niet-retroactiviteit van wetten is een waarborg om rechtsonzekerheid te voorkomen. Die waarborg vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtzoekende de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. De terugwerkende kracht kan enkel worden verantwoord als ze onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang.

Het algemeen belang kan vereisen dat een fiscale maatregel die de wetgever noodzakelijk acht, met terugwerkende kracht uitwerking heeft waardoor het voor de belastingplichtigen onmogelijk wordt om door anticiperend gedrag de gevolgen van de maatregel te verminderen.

Het doel van de verhoging van de abonnementstaks is om enerzijds, het verlies aan begrotingsmiddelen compenseren en, anderzijds, kredietinstellingen aansporen te investeren in de reële economie.

Waarom het onontbeerlijk was om voor het bereiken van die doelstellingen aan de bestreden verhoging terugwerkende kracht te verlenen, is niet duidelijk. De tweede doelstelling kan overigens alleen gelden voor de toekomst, en niet voor het verleden.

Het Grondwettelijk Hof besluit dan ook om artikel 70, 1°, artikel 73, eerste lid en artikel 74 van de ‘wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen’ te vernietigen. Het Hof verwerpt het beroep voor het overige.

Bron:GwH 7 mei 2015, nr. 21/2015Bron:Wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen, BS 1 augustus 2013 - art. 70, 1° en art. 71, art. 73, eerste lid en art. 74
Zie ook:– Wet van 17 juni 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling, BS 28 juni 2013; err., BS 17 september 2013; err., BS 25_november 2013; err., BS 27 november 2013; err., BS 25 maart 2014 – art. 106– Wetboek der successierechten (W.Succ. (Vl)) - art. 161ter, 2°

Christine Van Geel

Wet houdende diverse bepalingen

Afkondigingsdatum : 30/07/2013
Publicatiedatum : 01/08/2013

Gepubliceerd op 13-05-2015

  148