Grondwettelijk Hof vernietigt terugwerkende kracht van wet met algemene machtigingsvrijstelling voor verwerking persoonsgegevens door politie

Wet tot wijziging van artikel 36bis van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens

De terugwerkende kracht van de wet van 14 juni 2017 – dat is de wet die ervoor zorgt dat politiediensten, bij de uitvoering van hun opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie, geen voorafgaande machtigingen meer nodig hebben van het Sectoraal comité voor de federale overheid om persoonsgegevens van de overheidsdiensten te verwerken – schendt artikel 12, tweede lid van de Grondwet over de voorspelbaarheid van de strafrechtspleging. Het Grondwettelijk Hof heeft de retroactieve inwerkingtreding dan ook vernietigd. Daardoor is de wet pas van toepassing vanaf 28 juli 2017, 10 dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad. Om evenwel te vermijden dat er opnieuw discussie ontstaat over de geldigheid van oude flitsboetes worden de gevolgen van de vernietigde bepaling gehandhaafd.

Expliciete machtigingsvrijstelling in Privacywet

De wet van 14 juni 2017 zorgt ervoor dat politiediensten geen machtigingen meer nodig hebben van het Sectoraal comité voor de federale overheid om persoonsgegevens vanuit overheidsdatabanken te verwerken. Deze expliciete vrijstelling werd ingeschreven in artikel 36bis van de Privacywet met terugwerkende kracht ingevoerd vanaf 26 juni 2003.

Volgens de wetgever werd voor die retroactiviteit gekozen om zekerheid te creëren m.b.t. oude flitsboetes. Het Hof van Cassatie had in 2016 immers een aantal rechters teruggefloten die een snelheidsovertreder hadden veroordeeld voor wie de overtreding was vastgesteld met een flitscamera. Met als reden dat de politie niet over de vereiste machtiging beschikte van het sectoraal comité om de Kruispuntbank Voertuigen raadplegen en de gegevens ervan te verwerken.

Maar het Grondwettelijk Hof volgt die verantwoording niet. Door de terugwerkende kracht komt immers de voorspelbaarheid van de strafrechtspleging, ingesteld door artikel 12 tweede lid van de Grondwet, in het gedrang.

Voorspelbaarheid van de strafrechtspleging

Artikel 12, tweede lid van de Grondwet bepaalt dat ‘niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die ze voorschrijft’. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen om te bepalen in welke gevallen strafvervolging mogelijk is, ‘waarborgt de Grondwet aan elke burger dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering’. Dit betekent dat iedereen, op voorhand, afdoende moet kunnen inschatten wat het strafrechtelijke gevolg zal zijn van zijn gedrag. Deze wettigheid en voorspelbaarheid zijn niet alleen van toepassing bij het bepalen van de gevallen waarin strafvervolging mogelijk is, maar ook bij het bepalen van de vorm van de strafvervolging. Ze zijn van toepassing op de hele rechtspleging, met inbegrip van de stadia van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek.

De vereiste van voorspelbaarheid van de strafrechtspleging houdt echter ook een waarborg in voor de rechtsonderhorige dat regels m.b.t. de bewijsvoering van de schuld van een persoon die door de politie en vervolgende instanties moeten worden nageleefd, in beginsel, niet in het nadeel van die persoon kunnen worden gewijzigd met terugwerkende kracht.

Schending door terugwerkende kracht

En daar wringt nu het schoentje. Vóór de bekendmaking van de bestreden wet in het Belgisch Staatsblad, mocht iedere persoon ervan uitgaan dat zijn persoonsgegevens verwerkt in een databank van een FOD of een federale openbare instelling, in het kader van een strafrechtspleging, slechts aan de politiediensten konden worden meegedeeld wanneer de betrokken diensten en instellingen daar vooraf een machtiging van het Sectoraal comité hadden voor gekregen, tenzij de Koning (met naleving van de wettelijk voorgeschreven vormvereisten) die diensten en instellingen in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen had vrijgesteld van die machtigingsvereiste.

‘Door terugwerkende kracht te verlenen aan de machtigingsvrijstelling voor de politiediensten van elke wettelijke of reglementair voorgeschreven verplichting betreffende een voorafgaande machtiging door een sectoraal comité, heeft de bestreden wet tot gevolg dat de rechtsonderhorige de waarborg wordt ontnomen dat de door de politiediensten en de vervolgende instanties na te leven regels betreffende de bewijsvoering van de schuld van een persoon, niet in het nadeel van die persoon kunnen worden gewijzigd met terugwerkende kracht’.

Vernietiging

Het Grondwettelijk Hof heeft de terugwerkende kracht dan ook vernietigd. De wet wordt daardoor geacht in werking te zijn getreden 10 dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad. Dat is 28 juli 2017.

Om te vermijden dat er opnieuw discussie zou ontstaan over de materie worden de gevolgen van de vernietigde bepaling gehandhaafd. Of zoals het Hof het in zijn arrest stelt: ‘Rekening houdend met de onduidelijkheid die na het arrest van het Hof van Cassatie heeft bestaan over de draagwijdte van artikel 1 van het KB van 4 juni 2003 en de waarborgen die zijn of waren vervat in de wetten van 5 augustus 1992 en 8 december 1992, en om te vermijden dat de bewijselementen, gebaseerd op persoonsgegevens die de politiediensten vóór 7 augustus 2017 hebben verkregen, opnieuw in het geding zouden worden gebracht dienen, met toepassing van artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de gevolgen van de vernietigde bepaling te worden gehandhaafd’.

Zie ook
Wet van 14 juni 2017 tot wijziging van artikel 36bis van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, BS 28 juli 2017.
Laure Lemmens
Wolters Kluwer
  376