Grondwettelijk Hof vernietigt terugwerkende kracht Brusselse ordonnantie over gemeentebelastingen

Op 7 november 2014 stelden de vzw ‘Union des Hôteliers, Restaurateurs, Cafetiers et Traiteurs de Bruxelles et Entreprises assimilées de Bruxelles’ en de beroepsvereniging ‘Belgian Confederation – Hospitality, Tourism and Commerce’ een beroep tot vernietiging in van de artikelen 9, 12 en 13 van de ‘ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 3 april 2014 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake gemeentebelastingen’. Het Grondwettelijk Hof vernietigde op 3 februari 2016 de terugwerkende kracht van deze ordonnantie (GwH, arrest nr. 16/2016).

Volgens het Grondwettelijk Hof is de niet-retroactiviteit van wetten een waarborg ter voorkoming van rechtsonzekerheid. Die waarborg vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. De terugwerkende kracht kan enkel worden verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang.

Maar vooraleer de verzoekende partijen hun beroep instelden wist de Brusselse Regering al van het probleem veroorzaakt door de terugwerking van de ordonnantie van 3 april 2014 met inwerkingtreding op 1 maart 2014 (art. 12 en 13), en verzocht aldus om een herstelordonnantie op te stellen (ordonnantie van 12 februari 2015).

Volgens de parlementaire stukken ter voorbereiding van de ordonnantie van 12 februari 2015 veroorzaakte de terugwerking van de ordonnantie van 3 april 2014 inderdaad problemen, vermits het voor de gemeenten onmogelijk was de ordonnantie toe te passen vooraleer zij daarvan kennis konden nemen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. Het was dus nodig de datum van inwerkingtreding ervan vast te stellen op 17 mei 2014, namelijk 10 dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

Volgens de Brusselse Regering zouden de door verzoekende partijen ingestelde beroepen, in zoverre zij de terugwerkende kracht van de ordonnantie van 3 april 2014 bestrijden, zonder voorwerp zijn geworden, aangezien de datum van inwerkingtreding van de ordonnantie van 4 april 2014 verbeterd werd door de ordonnantie van 12 februari 2015.

Maar na diepgaand onderzoek van de zaak concludeert het Grondwettelijk Hof dat, aangezien aan de ordonnantie van 12 februari 2015 met inwerkingtreding op 25 februari 2015, met name de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, geen terugwerkende kracht is verleend, de datum van 17 mei 2014 die zij heeft willen vaststellen voor de toepassing van de ordonnantie van 3 april 2014, enkel van toepassing kan zijn op de feiten, handelingen en situaties die nog niet definitief waren op datum van 25 februari 2015. Ten aanzien van de feiten, handelingen en situaties die definitief zijn geworden vóór 25 februari 2015, daarentegen, blijft de datum van 1 maart 2014 (bestreden artikelen 12 en 13 van de ordonnantie van 3 april 2014) van toepassing.

Om die reden vernietigt het Grondwettelijk hof de artikelen 12 en 13 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 3 april 2014, zoals zij van kracht waren vóór de wijziging ervan bij de ordonnantie van 12 februari 2015.

Bron:Grondwettelijk Hof. Arrest nr. 16/2016 van 3 februari 2016.
Zie ook: – Grondwettelijk Hof. Uittreksel uit arrest nr. 16/2016 van 3 februari 2016, BS 25 maart 2016. – Ordonnantie van 12 februari 2015 tot wijziging van de ordonnantie van 3 april 2014 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake gemeentebelastingen, BS 25 februari 2015. – Ordonnantie van 3 april 2014 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake gemeentebelastingen, BS 7 mei 2014.

Karin Mees

Ordonnantie betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake gemeentebelastingen

Afkondigingsdatum : 03/04/2014
Publicatiedatum : 07/05/2014

Gepubliceerd op 14-04-2016

  223