Grondwettelijk Hof vernietigt fairness tax

Wet houdende diverse bepalingen

Het Grondwettelijk Hof heeft op 1 maart 2018 de fairness tax vernietigd.
Maar het Hof handhaaft wel de gevolgen van de vernietigde bepalingen voor de aanslagjaren 2014 tot en met 2018.
Dit met uitzondering van de belastingaanslagen waarbij de fairness tax werd geheven ten laste van de Belgische vennootschappen die onder de moeder-dochterrichtlijn vallen, op de winst die zij hebben ontvangen van hun dochterondernemingen en die zij op hun beurt hebben uitgekeerd, waardoor de 5%-drempel bepaald in artikel 4, lid 3 van de moeder-dochterrrichtrichtlijn, werd overschreden.

Fairness tax

De ‘wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen’ (art. 43 tot 51) heeft met ingang van het aanslagjaar 2014 in de Ven.B. en de BNI/venn. een fairness tax ingevoerd.
De fairness tax is een afzonderlijke aanslag in de vennootschapsbelasting tegen een tarief van 5,15% (incl. 3% aanvullende crisisbijdrage), die de fiscus heft op dividenduitkeringen die (deels of volledig) voortkomen uit belastbare winst die niet aan het normaal tarief van de vennootschapsbelasting (en de belasting van niet-inwoners vennootschappen) werd onderworpen omwille van de toepassing van de notionele interestaftrek (aftrek voor risicokapitaal) en/of de aftrek van overgedragen verliezen.
Op vraag van het Grondwettelijk Hof had het Europees Hof van Justitie al eerder geoordeeld dat het om een “gedeeltelijk verboden dubbele belasting” gaat.

Terugvorderen fairness tax

De meeste ondernemingen kunnen de fairness tax voor de aanslagjaren 2014 tot en met 2018 dus niet terugvorderen. Enkel ondernemingen die dividenden ontvangen van een buitenlandse dochteronderneming, en die dividenden dan na een jaar uitkeren aan hun aandeelhouders, kunnen dat wel.
De Regering-Michel zal de fairness tax naar alle waarschijnlijkheid afschaffen.
Zie ook:
– Wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen, BS 1 augustus 2013 (art. 43 tot 51)
– Richtlijn 2011/96/EU van de Raad van 30 november 2011 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, Pb.L. 345, 29 december 2011 (moeder-dochterrichtlijn)
Christine Van Geel
Wolters Kluwer
  1282