Grondwettelijk hof vernietigt deel van wet over fiscaal inzagerecht persoonsgegevens

Het Grondwettelijk Hof vernietigt via zijn arrest van 27 maart 2014 het artikel 11 van de ‘wet van 3 augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de FOD Financiën in het kader van zijn opdrachten’.

De wet van 3 augustus 2012 heeft de regels vastgelegd voor de oprichting en het gebruik van de centrale databank waarin de FOD Financiën alle persoonsgegevens verzamelt waarover hij beschikt. Ze trad in werking op 1 januari 2013.

Recht op informatie, op toegang en op verbetering

Personen van wie de persoongegevens worden opgenomen in een databank, hebben volgens de Privacywet het recht op informatie over deze opname, op toegang tot deze persoonsgegevens en op verbetering van foutieve persoonsgegevens (art. 9, § 2, art. 10 en art. 12, Privacywet).

In artikel 11 van de wet van 3 augustus 2012 stond dat deze rechten “niet van toepassing zijn op de verwerkingen van persoonsgegevens beheerd door de FOD Financiën gedurende de periode waarbij de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de daarmee verband houdende voorbereidende werkzaamheden die worden uitgevoerd door de FOD Financiën in het kader van de uitvoering van zijn wettelijke opdrachten. Wanneer de FOD Financiën gebruik heeft gemaakt van deze uitzondering wordt de uitzonderingsregel onmiddellijk opgeheven na het afsluiten van de controle of het onderzoek. De Dienst voor Informatieveiligheid en Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer brengt de betrokken belastingplichtige onverwijld op de hoogte van die opheffing” (§ 7, art. 3, privacywet; ingevoegd door art. 11, wet van 3 augustus 2012).

Belastingplichtigen konden hierdoor hun dossier niet inkijken zolang ‘de controle, het onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden’ lopen.

Vernietiging artikel 11

Het Grondwettelijk hof heeft het artikel 11 van de wet van 3 augustus 2012 (dat § 7 toevoegt aan art. 3 van de privacywet) onder meer vernietigd omdat het geen specifieke termijn vermeldde voor dit verbod op inzage.

Maximum 1 jaar verbod tot inzage

Maar ondertussen heeft de Regering via de wet van 17 juni 2013 al vastgelegd dat het recht op raadpleging gedurende maximaal 1 jaar mag geschorst worden, te rekenen vanaf de indiening van het verzoek tot inzage (art. 96, wet van 17 juni 2013).

Het bestreden artikel heeft dus slechts uitwerking gehad tussen 1 januari 2013 (inwerkingtreding wet van 3 augustus 2012) en 8 juli 2013 (inwerkingtreding wet van 17 juni 2013). Volgens ontslagnemend staatssecretaris, John Crombez, “heeft de dienst Privacy gedurende gedurende die periode geen verzoek tot schorsing ontvangen”.

Vernietiging artikel 8

Het Grondwettelijk Hof verwerpt via zijn arrest van 27 maart 2014 ook nog het beroep tot vernietiging van artikel 8 van de wet van 3 augustus 2012.

Bron:Grondwettelijk hof. Uittreksel uit arrest nr. 51/2014 van 27 maart 2014, BS 28 mei 2014.
Zie ook: – Wet van 17 juni 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling, BS 28 juni 2013 - art. 96– Wet van 3 augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financiën in het kader van zijn opdrachten, BS 24 augustus 2012 – art. 8, art. 11 en art. 12

Christine Van Geel

Wet houdende bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financiën in het kader van zijn opdrachten

Afkondigingsdatum : 03/08/2012
Publicatiedatum : 24/08/2012

Gepubliceerd op 06-06-2014

  192