Grondwettelijk Hof vernietigt deel van definitie ‘aanzetten tot terroristische misdrijven’

Wet houdende diverse bepalingen ter bestrijding van terrorisme (III)

Het Grondwettelijk Hof heeft strafbaarstelling van het misdrijf ‘aanzetting tot het plegen van terroristische misdrijven’ in het Strafwetboek (art. 140bis) voor een deel vernietigd. In augustus 2016 heeft de wetgever de omschrijving immers op een zodanige manier aangepast dat de vrijheid van meningsuiting op een onevenredige manier in het gedrang komt. En dat kan niet volgens het Hof. ‘De vrijheid van meningsuiting vormt één van de pijlers van een democratische samenleving: iedere beperking erop moet strikt noodzakelijk zijn, aan een dwingende maatschappelijke behoefte beantwoorden én evenredig blijven aan de wettige doelstellingen die ermee worden nagestreefd’.

Ruimere definitie

De wet van 3 augustus 2016 bevat een batterij maatregelen in strijd tegen terrorisme. Focus ligt onder meer op de strafbaarstelling van het misdrijf. De wetgever wil immers dat er tegen àlle terroristische gedragingen een passende sanctie kan worden opgelegd. Er was tot dan bijvoorbeeld onduidelijkheid over de bestraffing van mensen die anderen aanzetten om naar het buitenland te trekken voor terroristische doeleinden.

Om ook dit element adequaat te kunnen vatten, werd dan ook de definitie van het misdrijf ‘aanzetten tot terroristische misdrijven’ (art. 140bis Sw.) verruimd. Het Strafwetboek stelt sindsdien meer concreet het volgende: ‘Onverminderd de toepassing van artikel 140 wordt iedere persoon die een boodschap verspreidt of anderszins publiekelijk ter beschikking stelt met het oogmerk rechtstreeks of onrechtstreeks aan te zetten tot het plegen van één van de terroristische misdrijven (in de artikelen 137 of 140sexies, met uitzondering van het misdrijf in artikel 137, § 3, 6°), gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en met een geldboete van 100 tot 5.000 euro’.

Risicovereiste geschrapt

Maar die omschrijving lag al snel onder vuur. De nieuwe definitie maakte immers geen melding meer van de zogenaamde risicovereiste. Vroeger voorzag het Strafwetboek dat men alleen kon veroordeeld worden voor het aanzetten tot terrorisme ‘als de betrokken gedraging - ongeacht of die al dan niet rechtstreeks aanstuurde tot het plegen van terroristische misdrijven- het risico opleverde dat één of meer van deze misdrijven mogelijk wordt gepleegd’.

Die vereiste is in de nieuwe omschrijving verdwenen waardoor men ook kan worden veroordeeld wanneer er helemaal geen aanwijzingen zijn van een risico dat een terroristisch misdrijf zou kunnen worden gepleegd.

En dat vormt volgens het Hof een ‘onevenredige inbreuk op de vrijheid van meningsuiting’. Het heeft artikel 2, 3° van de wet van 3 augustus 2016 daarom vernietigd.

Een beslissing die men eigenlijk had kunnen zien aankomen. Artikel 140bis van het Strafwetboek werd immers in het verleden al opgeworpen voor het Hof, nog voor de wetsaanpassingen in 2016. In zijn arrest nr. 9/2015 had het Hof al duidelijk gemaakt dat het bestaan van de risicovereiste net moest gezien worden als garantie tegen de bestraffing van handelingen die geen enkel verband houden met terrorisme.

Waarom?

We kunnen ons dan ook de vraag stellen waarom de wetgever de risicovereiste dan heeft geschrapt in 2016. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet blijkt dat het de bedoeling was om het bewijs van het aanzetten tot terrorisme te vereenvoudigen. Het bestaan van een risico bewijzen blijkt immers heel erg moeilijk in de praktijk.

Het Grondwettelijk Hof is echter duidelijk: ‘de behoefte om de bewijsvoering te vereenvoudigen, verantwoordt niet dan een persoon kan veroordeeld worden tot een gevangenisstraf van 5 tot 10 jaar en een geldboete van 100 tot 5.000 euro voor het aanzetten tot terrorisme, ook wanneer er geen ernstige aanwijzingen zijn dat het risico bestaat dat een terroristisch misdrijf zou kunnen worden gepleegd. De bestreden bepaling is niet noodzakelijk in een democratische samenleving en ze beperkt de vrijheid van meningsuiting op onevenredige wijze’.

Volgens het Hof moet de rechter het bestaan van het risico beoordelen op basis van ‘ernstige aanwijzingen’ door rekening te houden met de identiteit van de persoon die de boodschap verspreidt of publiekelijk ter beschikking stelt, de ontvanger ervan, de aard ervan en de context waarin ze wordt geformuleerd.

Zie ook
Wet van 3 augustus 2016 houdende diverse bepalingen ter bestrijding van terrorisme (III), BS 11 augustus 2016.
Laure Lemmens
Wolters Kluwer
  293