Grondwettelijk Hof vernietigt deel SUO-wetgeving

Het Grondwettelijk Hof heeft een deel van de SUO-wetgeving vernietigd. Daarbij werden vooral de bevoegdheden van de SUO-magistraat op de korrel genomen. Het Hof zag een grondwettelijke schending in de mogelijkheid van de SUO-magistraat om de ‘observatie ten aanzien van de woning’ te bevelen, in de procedure tot weigering van een verzoek tot inzage in het dossier en in de verplichting van de veroordeelde en van derden te kwader trouw om mee te werken aan een zoeking in het informaticasysteem. De meeste bepalingen van de wetten van 11 februari 2014 tot invoering van het Strafrechtelijk Uitvoeringsonderzoek blijven dus overeind. Al voegt het Hof hier en daar wel een interpretatie toe.

SUO

De wetgever wil de invordering van geldboetes en verbeurdverklaringen verbeteren. Met de wetten van 11 februari 2014 heeft hij het Wetboek van Strafvordering aangevuld met een nieuw type ingevoerd: het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek of SUO. Daarmee krijgt het openbaar ministerie de mogelijkheid om het vermogen van een veroordeelde, die zich bewust onttrekt aan zijn betalingsverplichtingen, actief op te sporen en in beslag te nemen. Naast de klassieke onderzoeksmethoden kunnen daarbij ook bijzondere opsporingsmethoden worden ingezet.

Volgens de Orde van Vlaamse Balies verregaande onderzoeksbevoegdheden die de rechten van de verdediging kunnen aantasten. Eind 2014 vocht ze de bepalingen daarom aan bij het Grondwettelijk Hof. Die gaat in zijn arrest 178/2015 deels akkoord met de argumenten van de OVB. Drie bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering werden vernietigd. De meeste bepalingen hebben de grondwettigheidstoets dus doorstaan, al heeft het Hof wel enkele interpretaties toegevoegd. Hieronder vindt u een overzicht van de vernietigde bepalingen.

Observatie woning (art. 464/27 Sv.)

Volgens artikel 464/27Sv. kan de SUO-magistraat die het onderzoek voert een politiedienst machtigen om een observatie uit te voeren ten aanzien van een woning of in een door deze woning omsloten eigen aanhorigheid van de veroordeelde of van derden te kwader trouw. Volgens de OVB zou deze bepaling ‘een niet objectief en redelijk verantwoord verschil in behandeling’ invoeren onder meer tussen de veroordeelden of derden in het kader van het een SUO en verdachten van een witwasmisdrijf in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. Bij SUO’s is observatie mogelijk tot maximum 3 maanden, in een SO is dat maximum een maand. Maar hier gaat het Hof niet in mee. Het verschil in behandeling van deze categorieën personen vormt op zich geen discriminatie.

Wel is de bepaling volgens het Hof niet voldoende gepreciseerd. Het Wetboek van Strafvordering bevat alleen een algemene omschrijving van het begrip ‘observatie’. Bovendien ontbreekt duidelijkheid in de begrippen ‘ten aanzien van een woning of in een door deze woning omsloten eigen aanhorigheid’. En dat is volgens het Hof noodzakelijk, zeker aangezien de technologie om observaties uit te voeren steeds gesofisticeerder wordt.

Bovendien kan de observatie – wat de privacyinmenging betreft - vergeleken worden met maatregelen zoals de telefoontap. Toch is alleen de toepassing van de telefoontap in het kader van het SUO-onderzoek beperkt tot bepaalde zware misdrijven. De observatie kent die beperking niet.

Het Hof heeft artikel 464/27 Sv. daarom vernietigd.

Zoeking in informatiesysteem (art. 464/24 §§2 en 3 Sv.)

Artikel 464/24 §§2 en 3 Sv. bepalen dat de SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst iedere geschikte persoon kan bevelen om mee te werken aan een zoeking in een informaticasysteem. Meer concreet kunnen ze hen verplichten om het systeem zelf te bedienen of opgeslagen, verwerkte of overgedragen gegevens te zoeken, (on)toegankelijk te maken, te kopiëren of te verwijderen. De personen moeten hieraan gevolg geven voor zover het in hun mogelijkheden ligt. Op de niet-naleving staan strafsancties. En dat schendt de Grondwet.

De regel is immers niet verenigbaar met het recht om zichzelf niet te beschuldigen. Het kan immers zijn dan er tijdens het onderzoek aanwijzingen worden gevonden dat de veroordeelde of derden zich schuldig zouden hebben gemaakt aan andere strafbare feiten dan die waarvoor de veroordeling werd uitgesproken. Bovendien kunnen de verzamelde inlichtingen ook worden gebruik t in andere strafrechtelijke procedures.

Artikel 464/24 §§2 en 3 Sv. worden daarom vernietigd. Tenminste in zoverre de medewerkingsplicht geldt voor de veroordeelde of voor derden ten aanzien van wie er aanwijzingen zijn dat ze zich schuldig hebben gemaakt aan een ander misdrijf dan datgene dat heeft geleid tot de veroordeling waarop het SUO betrekking heeft.

Weigering inzage dossier (art. 464/1 § 5 Sv.)

Het Grondwettelijk Hof ziet geen graten in het feit dat het de SUO-magistraat is die beslist over het al dan niet verlenen van inzage in het dossier of het verkrijgen van een afschrift ervan (art. 464/1 §5 Sv.). Maar het feit dat de weigering van een verzoek tot inzage niet wordt beoordeeld door een onafhankelijke en onpartijdige rechter wanneer het SUO niet leidt of nog niet heeft geleid tot een inbeslagname of tot de ontdekking van nieuwe strafbare feiten vormt wel een schending van de Grondwet.

Bron:GwH 17 december 2015, nr. 178/2015.
Zie ook Wet van 11 februari 2014 houdende diverse maatregelen ter verbetering van de invordering van de vermogensstraffen en de gerechtskosten in strafzaken (I), BS 8 april 2014. Wet van 11 februari 2014 houdende diverse maatregelen ter verbetering van de invordering van de vermogensstraffen en de gerechtskosten in strafzaken (II), BS 8 april 2014.

Laure Lemmens

Wet houdende diverse maatregelen ter verbetering van de invordering van de vermogensstraffen en de gerechtskosten in strafzaken (I)

Afkondigingsdatum : 11/02/2014
Publicatiedatum : 08/04/2014

Gepubliceerd op 13-01-2016

  253