Grondwettelijk Hof: ‘Staatsveiligheid moet zelf initiatief nemen om burger in te lichten over gebruikte aftapmaatregelen’

Wet tot wijziging van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst en van artikel 259bis van het Strafwetboek

Onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten zijn verplicht om iedereen van wie ze de telefoongesprekken hebben afgeluisterd, de post hebben geopend of de woning hebben uitgerust met afluisterapparatuur achteraf in te lichten. Ze moeten hiervoor zélf het initiatief nemen. Het is niet aan de burger om ernaar te vragen. Dat de Wet Inlichtingen- en Veiligheidsdienst van 30 november 1998 dit momenteel zo voorziet schendt dus de Grondwet. Het betrokken artikel 2§3 wordt dan ook vernietigd.

Het Grondwettelijk Hof volgt hiermee een gelijkaardige uitspraak uit 2011. Via arrest 145/2011 werd dezelfde bepaling – de ‘oude’ versie van artikel 2§3 van vóór de aanpassingen via de wet van 30 maart 2017 - vernietigd. Om dezelfde redenen. Ook toen voorzag de wet in een ‘passieve notificatieplicht’, terwijl het Hof een actieve notificatie via een objectief orgaan vooropstelde.

Passieve kennisgeving

Maar ondanks deze uitspraak, koos de wetgever de wetsaanpassing in 2017 opnieuw voor een passieve procedure in plaats van een systematische kennisgeving vanuit Staatsveiligheid en de militaire inlichtingendienst ADIV zelf. Het is aan het diensthoofd om te beslissen om kennisgeving bij de inzet van tapmaatregelen (art. 18/12, 18/14 en 18/17) aan de betrokkene al dan niet nodig is àls iemand ‘met een persoonlijk en wettig belang die onder de Belgische rechtsmacht valt’ daarom verzoekt.

Het diensthoofd moet bij zijn beslissing rekening houden met volgende parameters:
  • sinds het einde van de methode is er een periode van meer dan 10 jaar verlopen;
  • de kennisgeving doet geen afbreuk aan het inlichtingenonderzoek;
  • de kennisgeving levert geen gevaar op voor een bron; en
  • de kennisgeving schaadt de internationale relaties van België niet.
Een kennisgeving mag ook nooit een gerechtelijk onderzoek in gevaar brengen. Bovendien gelden de regels uit de wet van 11 december 1998 m.b.t. de classificatie van veiligheidsmachtigingen, de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en de Privacywetgeving.

Kortom een kennisgeving op verzoek, onder strikte voorwaarden en beperkt tot uitzonderlijke omstandigheden. De wetgever geeft hiervoor als reden dat ‘notificatie moeilijk verzoenbaar is met de werking van de veiligheids-en inlichtingendiensten en dat het de doeltreffendheid van de activiteiten in gevaar kan brengen’. Bovendien zou de wet volgens de wetgever voorzien voldoende andere waarborgen voor de rechten van de burgers zoals het BIM-toezicht door de bestuurlijke commissie en de procedures voor de aanwending van de methoden voor het verzamelen van gegevens.

Actieve procedure is cruciaal

Maar het Hof volgt die stelling dus niet. Net als het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ‘is een a posteriori kennisgeving aan de burger van aftapmaatregelen essentieel en onlosmakelijk verbonden met een doeltreffende bestrijding van elke vorm van misbruik die met dergelijke ingrijpende inlichtingenmethoden gepaard kan gaan’. Bovendien kan de betrokkene zonder kennisgeving over de toegepaste methoden moeilijk de wettigheid ervan betwisten. Een actieve kennisgevingsplicht door de overheid aan zijn burgers is dus van cruciaal belang.

Artikel 2§3 van de Wet Inlichtingen- en Veiligheidsdienst van 30 november 1998, zoals ingevoegd bij artikel 4, 4° van de wet van 30 maart 2017 is dan ook vernietigd.

Zie ook
Wet van 30 maart 2017 tot wijziging van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst en van artikel 259bis van het Strafwetboek, BS 28 april 2017.
Laure Lemmens
Wolters Kluwer
  28