Grondwettelijk Hof beperkt rechten pleegzorgers

Wet tot wijziging van de wetgeving tot invoering van een statuut voor pleegzorgers

Pleegzorgers zien een stukje van hun nieuw verworven rechten al meteen afkalven. Het Grondwettelijk Hof vindt immers dat de rechtbank hen niet de belangrijke beslissingen over de gezondheid, opvoeding, opleiding, ontspanning en godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes van het geplaatste kind volledig of gedeeltelijk kan toevertrouwen. Door ze zonder akkoord van de ouders te delegeren naar de pleegzorgers, wordt er - aldus het Hof - op een onevenredige wijze afbreuk gedaan aan het recht op eerbiediging van het gezinsleven van de ouders en het geplaatst kind. Daarom vernietigt het Hof art. 387octies van het Burgerlijk Wetboek.
Met deze beslissing zien de pleegzorgers hun rechten teruggeschroefd. Ze blijven wel nog bevoegd voor de dagdagelijkse beslissingen over het kind. Over de belangrijke zaken kunnen ze enkel nog beslissen in dringende gevallen. Of wanneer ouders en pleegzorgers akkoord zijn om die belangrijke beslissingen geheel of gedeeltelijk toe te vertrouwen aan de pleegzorgers. Zodat die ook in niet-dringende gevallen hierover kunnen beslissen.
De beslissingen tot gedwongen overdracht die zijn uitgesproken tot aan de bekendmaking van het vernietigingsarrest in het Staatsblad, blijven gelden.
Bron: GwH 28 februari 2019, nr. 36/2019
Zie ook:
Wet van 19 maart 2017 tot wijziging van de wetgeving tot invoering van een statuut voor pleegzorgers, BS 5 april 2017
Burgerlijk Wetboek (art. 387octies)
Ilse Vogelaere
  192