Grondwettelijk Hof bekijkt oudere overeenkomsten over opzeggingstermijnen

Wet betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen

Het Grondwettelijk Hof heeft zich in een arrest na een prejudiciële vraag gebogen over de grondwettigheid van artikel 68 van de wet op het eenheidsstatuut. Het gaat om de ‘interpretatie’ dat voor hogere bedienden geen rekening kan worden gehouden met een geldige voorafgaande overeenkomst - die vóór 1 januari 2014 werd gesloten - over de door de werkgever in acht te nemen opzeggingstermijn. Er is sprake van een verschil tussen de wettekst en wat de bijhorende memorie van toelichting daarover zegt.

Eenheidsstatuut

De wet op het eenheidsstatuut introduceert in beginsel één stelsel van opzeggingstermijnen voor werknemers, ongeacht de aard van hun belangrijkste activiteit en ongeacht de hoogte van hun jaarlijks loon. Sinds 1 januari 2014 gelden er vaste opzeggingstermijnen op grond van de anciënniteit van de werknemer.

De artikelen 67 tot 69 bevatten een overgangsregeling voor de berekening van de opzeggingstermijn voor arbeidsovereenkomsten die een aanvang hebben genomen vóór 1 januari 2014 en die vanaf die datum worden beëindigd. Die opzeggingstermijnen bestaan uit twee delen die worden opgeteld:
  • een eerste opzeggingstermijn voor de anciënniteit op 31 december 2013;
  • een tweede opzeggingstermijn voor de anciënniteit vanaf 1 januari 2014 (in beginsel vastgesteld volgens de nieuwe geharmoniseerde regeling).

Afwijkende regeling

Artikel 68 van de wet regelt het eerste deel van de opzeggingstermijn. Zo bepaalt dat artikel onder andere dat voor ‘hogere bedienden’ (jaarlijks loon hoger dan 32.254 euro op 31 december 2013) een afwijkende regeling geldt:
  • De opzeggingstermijn wordt, bij opzegging door de werkgever, vastgesteld op een maand per begonnen jaar anciënniteit, met een minimum van drie maanden.
  • Bij een opzegging door de werknemer is dat anderhalve maand per begonnen periode van vijf jaar anciënniteit, met een maximum van vier en een halve maand of zes maanden (naar gelang van het loon van de werknemer).

Nu staat de grondwettigheid van artikel 68, derde lid ter discussie.

Namelijk: de afwijkende regeling voor hogere bedienden bij de berekening van het eerste deel van de opzeggingstermijn (vóór 1 januari 2014). Die wordt bij opzegging door de werkgever vastgesteld op basis van een forfaitaire formule. Er wordt dus niet verwezen naar de mogelijkheid om eventuele contractuele opzeggingsclausules toe te passen.

Uit de parlementaire stukken van de wet blijkt de bedoeling om ook voor de hogere bedienden, bij het bepalen van het eerste deel van de opzeggingstermijn, rekening te houden met de geldig overeengekomen opzeggingsclausules. Maar de duidelijke en ondubbelzinnige tekst van artikel 68, derde lid stelt de opzeggingstermijn forfaitair vast, en laat daarop geen uitzonderingen toe.

Schending

Het Grondwettelijk Hof stelt in een arrest na een prejudiciële vraag dat de zin van een wetsbepaling niet kan worden omgebogen door verklaringen die aan de aanneming ervan zijn voorafgegaan, te laten voorgaan op de duidelijke tekst van die bepaling. Er kan volgens het hof dus geen sprake zijn van een onjuiste interpretatie.

De wetgever hanteert volgens het hof een objectief maar niet pertinent criterium van onderscheid. Want voor andere werknemers kan men wel rekening houden met dergelijke overeenkomsten. Het is ook niet pertinent om alle hogere bedienden op gelijke wijze te behandelen, ongeacht of zij vóór 1 januari 2014 al dan niet een overeenkomst hebben gesloten over de na te leven opzeggingstermijnen.

Bijgevolg schendt artikel 68, derde lid de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het niet toelaat dat ten aanzien van de hogere bedienden toepassing wordt gemaakt van een op die datum geldende opzeggingsclausule voor het berekenen van het eerste deel van de opzeggingstermijn.

Het hof besluit: ‘Aangezien de vaststelling van de lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen die toelaten de in het geding zijnde bepaling toe te passen met inachtneming van de referentienormen op grond waarvan het hof zijn toetsingsbevoegdheid uitoefent, staat het, in afwachting van het optreden van de wetgever, aan de verwijzende rechter een einde te maken aan de schending van die normen.’

Steven Bellemans
  45