Gezag van rechterlijk gewijsde genuanceerd (art. 199 DB Justitie)

Wet houdende diverse bepalingen betreffende justitie

Het gezag van rechterlijk gewijsde vereist in principe dat de gevorderde zaak dezelfde is en dat de vordering berust op dezelfde oorzaak (de feiten waarop de vordering is gebaseerd dus). Ongeacht de ingeroepen rechtsgrond. Hiermee wordt vermeden dat eenzelfde vordering meerdere keren wordt ingesteld, maar telkens op een andere rechtsgrond. De wetgever nuanceert dit principe nu: het gezag van gerechtelijk gewijsde strekt zich niet uit tot de vordering die berust op dezelfde oorzaak maar waarvan de rechter geen kennis kon nemen, gelet op de rechtsgrond waarop ze steunt.

Met deze nuancering wil de wetgever het geval aanpakken waarbij de eiser in een eerste geding niet alle rechtsgronden heeft kunnen aanvoeren die aan zijn vordering met eenzelfde voorwerp en oorzaak ten grondslag liggen. Bijvoorbeeld wanneer hij zich burgerlijke partij stelt. De strafrechter is immers alleen bevoegd om te oordelen op basis van een aansprakelijkheidsvordering als die gebaseerd is op een door de rechter vastgesteld misdrijf (1382 en 1383 BW). De schadelijder zou op basis van de huidige regeling na een strafrechtelijke vrijspraak en afwijzing van zijn vordering door de strafrechter geen nieuwe vordering kunnen instellen om vergoeding van zijn schade te vorderen op grond van andere rechtsgronden. Zoals een objectieve aansprakelijkheid of een andere bijzondere aansprakelijkheidsregel. Vandaar de nuancering van het recht van rechterlijk gewijsde.

Artikel 199 van de wet van 21 december 2018 treedt in werking op 10 januari 2019.

Bron: Wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie, BS 31 december 2018 (art. 199 DB Justitie)
Zie ook:
Gerechtelijk Wetboek (art. 23)
Ilse Vogelaere
  38