Gerechtelijke vaststelling incestueuze afstammingsband mogelijk (art. 99-113 DB Justitie)

Wet houdende diverse bepalingen betreffende justitie

De wetgever brengt het afstammingsrecht in overeenstemming met de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. Zodat er meer rechtszekerheid komt.

Het tijdstip waarop de vervaltermijn voor afstammingsvorderingen start, wordt in een aantal situaties aangepast.
De echtgenoot kan zijn vaderschap betwisten binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is. Als hij binnen die termijn is overleden zonder een vordering in te stellen, kunnen zijn bloedverwanten in opgaande en neerdalende lijn dat alsnog doen. En dit voortaan binnen een jaar na zijn overlijden of na de ontdekking van de geboorte of binnen het jaar na hun ontdekking van het feit dat de overledene niet de vader van het kind is. Indien de echtgenoot is overleden vóór de geboorte kunnen ze dat doen binnen een jaar na de ontdekking van de geboorte of binnen een jaar na hun ontdekking dat de overledene niet de vader van het kind is.
Ook het vertrekpunt van de éénjarige vervaltermijn van de vordering tot betwisting van de meemoederlijke erkenning door de vrouw die het meemoederschap opeist, wordt aangepast. In bepaalde gevallen start die op het moment waarop ze kennis neemt van de betwiste erkenning, en niet bij de ontdekking van de toestemming tot verwekking.
Tot slot wordt ook het vertrekpunt aangepast van de éénjarige vervaltermijn van de vordering tot betwisting van de moederlijke of vaderlijke erkenning door de persoon die het vaderschap, het moederschap of het meemoederschap opeist. Indien de erkenning gebeurt na de ontdekking van het feit dat men vader, moeder of meemoeder van het kind is, valt de start van de vervaltermijn samen met het moment waarop men kennis neemt van de betwiste erkenning.

Het absolute verbod tot vaststelling van een incestueuze afstammingsband wordt afgezwakt. Voortaan kan de familierechtbank een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, moederschap of meemoederschap inwilligen, ook als hierbij een incestueuze afstammingsband wordt vastgesteld. Maar alleen op voorwaarde dat de vaststelling van die afstammingsband niet strijdig is met het belang van het kind. De rechter zal dus steeds de belangen van het kind in concreto moeten afwegen. Anders is het evenwel bij de erkenning: daar blijft het verbod tot vaststelling van een incestueuze afstammingsband wél bestaan.

Tot slot wijzen we er ook nog even op dat het onderscheid tussen kinderen jonger dan één jaar en kinderen van één jaar of ouder bij een vordering tot het vaststellen van een afstammingsband verdwijnt. De rechtbank moet voortaan bij haar beoordeling altijd rekening houden met het belang van het kind, ongeacht of het jonger of ouder is dan één jaar. Het gaat bovendien om een volwaardige toetsing, geen marginale.

Titel 3 (art. 99-113) van de wet van 21 december 2018 treedt in werking op 10 januari 2019.

Bron: Wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie, BS 31 december 2018 (art. 99–113 DB Justitie)
Zie ook:
Burgerlijk Wetboek (art. 313 e.v.)
Ilse Vogelaere
  62