Forfaitaire aftrek beroepskosten stijgt (art. 2 – 4 PW 2015)

Het forfait voor de aftrek van beroepskosten wordt opgetrokken. Hierdoor zien werknemers hun nettoloon stijgen. Het gaat om een compensatie voor de indexsprong.

Tax shift

Volgens het regeerakkoord wegen de lasten op arbeid te zwaar in de personenbelasting. Daarom gaat de overheid op zoek naar belastingen op andere inkomsten. Dat is de zogenaamde ‘tax shift’.

De programmawet van 19 december 2014 draagt bij tot die verschuiving van belastingen door de forfaitaire aftrek van beroepskosten te verhogen. Hierdoor zal het netto-inkomen uit arbeid na belasting stijgen. Deze maatregel zou onder meer worden gefinancierd door maatregelen zoals de ‘doorkijkbelasting’ op inkomsten van trusts en andere juridische constructies in het buitenland, zo blijkt uit het regeerakkoord.

Forfaitaire aftrek

Elke werknemer heeft recht op een forfaitaire aftrek van beroepskosten, tenzij hij zijn werkelijke beroepskosten bewijst uiteraard. Dit forfait wordt automatisch bepaald bij de berekening van de definitieve personenbelasting. De schalen van de bedrijfsvoorheffing houden rekening met dit forfait. Het bedrag is terug te vinden op het aanslagbiljet in de personenbelasting.

De verhoogde aftrek ondersteunt de koopkracht en compenseert op die manier het verlies van inkomen door de indexsprong. Vandaar dat de verhoging van de forfaitaire aftrek voorbehouden blijft voor bezoldigingen van werknemers.

2015 en 2016

De verhoging van het forfait wordt in twee jaar doorgevoerd, namelijk: in 2015 en 2016. De nieuwe forfaitaire aftrek van beroepskosten is:

  • deels van toepassing op de bezoldigingen van werknemers die worden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2015; en
  • in zijn geheel van toepassing op de bezoldigingen van werknemers die worden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2016.

Het gaat om de bezoldigingen van werknemers die worden betaald of toegekend en de baten die worden vastgesteld of vermoed vanaf 1 januari 2015 enerzijds en de bezoldigingen van werknemers die worden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2016 anderzijds.

Amendementen

Daartoe wordt artikel 51 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen aangepast. Let wel, de bedragen met bijhorende percentage die de wetgever hier invoert, zijn niet- geïndexeerde bedragen.

Bovendien werd de oorspronkelijke tekst gewijzigd. De verhoging van de forfaitaire beroepskosten wordt op die manier beter gespreid over de beroepsbevolking. De spreiding in de ontwerptekst bleek ‘niet echt rechtvaardig waardoor het voordeel onvoldoende ten gunste kwam van degenen waarvoor de maatregel in eerste instantie is getroffen’, zo blijkt uit de verantwoording bij de amendementen. Het gaat hier om de beroepsbevolking van wie het maandelijks loon rond het gewaarborgd minimum maandinkomen ligt. Simulaties hadden immers aangetoond dat er een abnormaal hoge piek was voor inkomens die lager zijn dan het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen.

Schalen

De nieuwe schalen voor de bedrijfsvoorheffing werden op 16 december gepubliceerd in het Staatsblad – dit is de zogenaamde ‘bijlage III’. De schalen zijn van toepassing vanaf 1 januari 2015. De nieuwe bijlage bevat de berekeningsregels voor de bedrijfsvoorheffing op basis van schalen. Dat zijn loontabellen waarin men de verschuldigde bedrijfsvoorheffing kan lezen. Het is de bedoeling dat de verhoging van de forfaitaire beroepskosten onmiddellijk wordt toegepast in die schalen.

Minister van Financiën Johan Van Overtveldt licht in de commissie voor de financiën toe dat het kostenforfait vanaf 2015 zodanig wordt aangepast dat iemand met een laag inkomen meer voordeel krijgt. Voor iemand met een belastbaar loon van 20.000 euro zou het voordeel in 2016 270 euro bedragen, terwijl dit voordeel voor de hoogste lonen 130 euro zou zijn.

Bij het commissieverslag zit een bijlage (nota FOD Financiën, variant 2) die de impact analyseert van de verhoging van de aftrekbare forfaitaire beroepskosten. De maatregel is in ieder geval stof voor discussie, zo blijkt uit het verslag ...

Bedragen

Inkomstenjaar 2014 — aanslagjaar 2015

PercentageSchijven in euro
28,70% 0 tot 3.750
10% 3.750 tot 7.450
5% 7.450 tot 12.400
3% boven 12.400
(maximumbedrag forfaitaire beroepskosten: 2.592,50 euro)

Inkomstenjaar 2015 — aanslagjaar 2016

PercentageSchijven in euro
29,35%3.775
10,50%3.775 tot 7.450
8%7.450 tot 12.700
3%boven 12.700
(maximumbedrag forfaitaire beroepskosten: 2.676,25 euro)

Inkomstenjaar 2016 — aanslagjaar 2017

PercentageSchijven in euro
30%3.800
11%3.800 tot 13.000
3%boven 13.000
(maximumbedrag forfaitaire beroepskosten: 2.760 euro)

Bron:Programmawet van 19 december 2014, BS 29 december 2014 (art. 2 - 4 PW 2015)
Zie ook: Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (artikel 51 WIB 1992) Koninklijk besluit van 10 december 2014 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing, BS 16 december 2014

Steven Bellemans

Programmawet

Afkondigingsdatum : 19/12/2014
Publicatiedatum : 29/12/2014

Gepubliceerd op 09-01-2015

  151