Fiscaal gunstregime voor bpost afgeschaft op Brussels niveau

Een ordonnantie van 3 december 2015 maakt een einde aan het fiscale gunststatuut van bpost in de fiscale reglementering waarvoor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevoegd is.

Het gaat om een aanpassing van de oprichtingswet van 6 juli 1971. Die bepaalt dat bpost wordt gelijkgesteld met de staat ‘voor de toepassing van de wetten betreffende de taksen, rechten, retributies en belastingen ten bate van de staat, de provinciën en de gemeenten’. Maar de Europese Commissie concludeerde dat de vrijstellingen van onroerende voorheffing en van lokale belastingen die bpost krijgt op basis van die regeling, een verboden vorm van staatssteunzijn volgens het verdrag dat de werking van de Europese Unie regelt. En de Belgische regering heeft zich ertoe verbonden om die vrijstellingen te beëindigen met ingang van 1 januari 2013.

Daartoe is – gezien de bevoegdheidsverdeling in fiscale zaken - een wetgevend initiatief nodig op federaal niveau, maar ook op het niveau van de gemeenschappen en de gewesten. De Raad van State bepaalt immers dat ‘de federale wetgever weliswaar bevoegd is om de vrijstelling die bpost krachtens artikel 7, eerste lid, van de wet van 6 juli 1971 geniet, af te schaffen, maar hij is daarvoor slechts gedeeltelijk bevoegd’. Volgens de Raad van State moet men een onderscheid maken naargelang van de aard of het voorwerp van de betreffende financiële heffing.

Zo stelt de raad in een advies dat de gemeenschappen of de gewesten bevoegd zijn om vrijstellingen op te heffen van de ‘retributies’ in een aangelegenheid waarvoor zij bevoegd zijn. En de gewesten zijn bevoegd om de vrijstellingen en de opheffingen te regelen voor de ‘gewestelijke belastingen bedoeld in titel III van de bijzondere wet van 16 januari 1989’, zoals onder meer de onroerende voorheffing, sommige registratierechten, de verkeersbelasting op de autovoertuigen en de belasting op de inverkeerstelling.

Kortom: de opheffing die de ordonnantie van 3 december 2015 doorvoert, blijft beperkt tot de aspecten die betrekking hebben op een domein waarvoor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevoegd is. De opheffing wordt dan ook beperkt tot:

  • het eerste lid van artikel 7 van de wet van 6 juli 1974 omdat alleen de federale overheid de andere leden van dit artikel kan wijzigen;
  • de toepassingen van het eerste lid waarvan de Raad van State stelde dat deze tot de bevoegdheid van de gewesten behoren.

Dit betekent dat artikel 7, eerste lid, van de wet van 6 juli 1971 met ingang van 1 januari 2013 wordt opgeheven met betrekking tot:

  • de ‘gewestelijke belastingen’ zoals bedoeld in titel III van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten;
  • alle retributies die worden geheven in het kader van de bevoegdheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Eerder werden al gelijkaardige teksten gepubliceerd door de Vlaamse overheid en de Waalse overheid.

Bron:Ordonnantie van 3 december 2015 tot wijziging van de wet van 6 juli 1971 betreffende de oprichting van bpost en betreffende sommige postdiensten, BS 11 december 2015
Zie ook: Wet van 6 juli 1971 betreffende de oprichting van bpost en betreffende sommige postdiensten, BS 14 augustus 1971

Steven Bellemans

Ordonnantie tot wijziging van de wet van 6 juli 1971 betreffende de oprichting van bpost en betreffende sommige postdiensten

Afkondigingsdatum : 03/12/2015
Publicatiedatum : 11/12/2015

Gepubliceerd op 17-12-2015

  127